Ondernemende professor is vinding van Ritzen

DEN HAAG, 19 JUNI. “Universiteiten moeten zich ondernemender opstellen. Meer dan nu het geval is zouden ze bereid moeten zijn keuzes te maken, risico's te nemen met het oog op verbetering en vernieuwing, en de consequenties daarvan, ten goede of ten kwade, te accepteren.”

Zo luiden de eerste regels van de brochure "Naar een ondernemende universiteit' die in 1987 verscheen. Tot de ondertekenaars behoorden onder meer prof. Rinnooy Kan, nu voorzitter van het VNO, prof. Hirsch Ballin, nu minister van justitie, en prof. Ritzen, nu minister van Onderwijs.

Het was de laatste die eergisteren zijn staatssecretaris prof. In 't Veld adviseerde af te treden. Niet omdat hij regels had gebroken, zo verzekerde de minister herhaaldelijk. Integendeel: “Staatssecretaris heer In 't Veld heeft zich voortdurend gehouden aan afspraken”, zei hij. Wel omdat de hoogleraar In 't Veld kennelijk met al te grote inzet de aanbevelingen van de hoogleraar Ritzen uit 1987 heeft uitgevoerd. Immers: volgens minister Ritzen zou de grote ondernemendheid van In 't Veld, zich uitend in de hoeveelheid opdrachten die hij als hoogleraar had uitgevoerd, “enorme risico's” voor zijn politieke toekomst veroorzaken. Nieuwe publicaties over die opdrachten zouden ertoe leiden dat de staatssecretaris meer bezig zou moeten zijn met zijn verleden dan met het hoger onderwijs.

In 't Veld liet echter donderdagavond blijken niet te hebben willen capituleren voor een politiek klimaat waarin ondernemendheid voor "bijklussen' wordt versleten. Maar het was het oordeel van de minister waaraan hij zich, gezien de staatsrechtelijke verhoudingen, had te onderwerpen. Aan de “beklagenswaardige” gestalte van de staatssecretaris, zoals In 't Veld deze functie ooit typeerde, heeft ook hij niet kunnen ontsnappen.

Bij zijn verdediging in de Tweede Kamer leek het wel alsof In 't Veld nog kort tevoren even de brochure uit 1987 had ingezien. Zijn betoog deed in ieder geval sterk denken aan de analyse van Ritzen en de andere auteurs. In een tijd waarin de publieke middelen voor het universitair onderwijs teruglopen maar de publieke greep op dat onderwijs nog steeds groot is, wordt “middelmaat maatgevend” op de universiteit, aldus de auteurs. De universiteiten kunnen zich alleen uit die situatie bevrijden door zelf op zoek te gaan naar financiële middelen. Daarvoor zouden ze zich zelfbewust op de maatschappelijke vraag naar onderzoek en onderwijs moeten richten. De universiteiten dienen fondsen te genereren en reserves op te bouwen om de aangegane risico's te kunnen dekken.

Op zijn beurt zei In 't Veld donderdagavond: “Er is voor de instellingen (in het hoger onderwijs, red.) geen vrijheid om te voorzien in het tekort aan middelen door prijzen flexibel te maken en zich op de markten te begeven. Ik vind dat een tragische klem.” Om daaraan te ontsnappen vond hij een vermenging van private en publieke organisatievormen in het hoger onderwijs wenselijk. “Men zou daar een verstandige vorm en ook een verstandig normen- en waardenstelsel rondom moeten vinden”, aldus de hoogleraar. Aan de ontwikkeling daarvan had hij graag een bijdrage geleverd.

Minister Ritzen heeft inmiddels een commissie aan het werk gezet die moet uitzoeken waar de grens tussen ondernemen en bijklussen ligt. De commissie is ingesteld naar aanleiding van de berichten over onregelmatigheden op de Rotterdam School of Management. Ze staat onder leiding van de oud-politicus Zeevalking, geheel toevallig ook nog leider van een politieke beweging die zich onderscheidt door harde kritiek op het heersende politieke klimaat. Een van haar prominentste leden is R.J. In 't Veld.

Het rapport van Zeevalking kan gemakkelijk tot nieuwe politieke complicaties leiden. Minister Ritzen kan zich, gezien zijn vroegere uitspraken, niet al teveel strengheid jegens ondernemende hoogleraren permitteren. Maar vice-premier Kok liet eergisteren weten de gegroeide regels voor die hoogleraren te kennen, om daar in een adem aan toe te voegen: “Maar ik ben het niet eens met die regels.” Het rapport van Zeevalking komt in het najaar uit.