NATIONALISME, EEN ZONDERLINGE UITVINDING

Postmodernism, Reason and Religion door Ernest Gellner 108 blz., Routledge 1992, f 33,80 (pb) ISBN 0 415 08024 X

Reason and Culture. The Historic Role of Rationality and Rationalism door Ernest Gellner 193 blz., Blackwell 1992, f 44,45 ISBN 0 631 13479 4

Postmodernism and Islam. Predicament and Promise door Akbar S. Ahmed 294 blz., Routledge 1992, f 41,30 (pb) ISBN 0 415 06293 4

Het gaat niet goed tussen de islam en Europa. In Bosnië-Herzegovina hebben Serviërs en Kroaten de afgelopen maanden door de verwoesting van moskeeën en de verdrijving van bevolking effectief een einde gemaakt aan de moslim-cultuur in heel wat steden waar deze al meer dan vijf eeuwen geworteld was. In Duitsland moeten niet alleen Turken, maar ook andere moslims zich afvragen, in hoeverre hun bestaan daar op den duur door minimale veiligheidsgaranties omgeven is.

In beide gevallen gaat het bij de slachtoffers om, vanuit een Westeuropees, liberaal of christelijk standpunt, "goede', geseculariseerde en verwesterde moslims. Niet de "fundamentalistische' soort, wier veroordeling van Salman Rushdie nog maar zo kort geleden door de Westeuropese opinie vanuit de hoogte werd afgedaan met een verwijzing naar de in onze cultuur gangbare vrije meningsuiting, rechtsbescherming voor het individu en afwijzing van op goddelijke openbaring gebaseerde rechtsregels.

Het is nog te vroeg om al te kunnen zeggen welke gevolgen de gebeurtenissen in Bosnië en Duitsland zullen hebben voor Turkije en de moslims op de Balkan. Maar er is weinig reden gerust te zijn op - vanuit een liberaal standpunt - goede afloop. Het is wel duidelijk dat in Europa de verhouding tussen de seculiere staat en het geloof, alsmede de vraag of de westerse democratie onverenigbaar is met de islam, letterlijk brandend actueel zijn.

De Servisch-Kroatische claim dat de moslims in Bosnië-Herzegovina bij de oprichting van deze staat bevangen waren door fundamentalistische strevingen was vorig jaar een grove leugen, maar of Europa's "nieuwe Palestijnen' in de toekomst de energie zullen vinden zich teweer te stellen tegen de verlokkingen hiervan, lijkt op zijn minst twijfelachtig.

Europa lijkt zich, door de onwil of het onvermogen de moslims in ons midden te beschermen, ernstig in de voet geschoten te hebben. Het moslim-fundamentalisme, veelal als een bedreiging voor de dominante cultuur in het Westen ervaren, lijkt door onszelf van uitstekende argumenten te worden voorzien.

TRIOMFANTELIJKE TOON

Het zou interessant zijn te zien of het Rushdie-debat uit 1990, zou het heden ten dage worden gevoerd, nog steeds gekenmerkt zou worden door die lichtelijk triomfantelijke toon waarmee destijds noties als tolerantie, vrijheid van meningsuiting, de noodzaak van secularisering ter sprake werden gebracht. Zeker is te onzent de overtuiging er in de afgelopen drie jaar niet minder op geworden om rationaliteit en scheiding van godsdienst en staat wenselijk voor het functioneren van de samenleving zijn - we hebben alleen diegenen in ons midden die we wilden overtuigen, weinig argumenten in handen gegeven om tot dezelfde conclusie te komen. De vraag blijft ondertussen natuurlijk hetzelfde: wat maakt ons wereldbeeld superieur aan het moslim-fundamentalistische?

Twee hoogleraren uit Cambridge, de oriëntalist Akbar S. Ahmed en de antropoloog-filosoof Ernest Gellner, hebben over deze kwestie in boekvorm de degens gekruist. Elke keer als Gellner iets publiceert, ijl ik naar de boekhandel. Weliswaar is veel van wat deze beminnelijke geleerde schrijft over antropologie vrij technisch, maar daar staat tegenover dat hij er een kei in is anderen te provoceren over hun heilige huisjes en zodoende heel wat vijanden maakt. Zo voerde hij onlangs nog een bloederige polemiek in Times Literary Supplement met de bekende oriëntalist Edward Said, onder meer over de stelling dat de oriëntalistiek geen enkele zinnige gedachte over de islam heeft opgeleverd.

Gellners specialismen zijn het nationalisme (dit jaar komt de Nederlandse vertaling van zijn magistrale Nations and Nationalism uit bij De Wereldbibliotheek) en de opkomst van het moslim-fundamentalisme, misschien wel de succesvolste soort nationalisme van allemaal.

Nu is nationalisme iets dat nog steeds steevast in verband wordt gebracht met eeuwenoude etnische banden, getuige ook de relatieve eerbied waarmee men wel hoort spreken over de nationale tegenstellingen in de Joegoslavische burgeroorlog. In werkelijkheid, meent Gellner, is het nationalisme een uitvinding uit de Romantiek en een ideologie die past bij de overgang in Europa van een agrarische naar een industriële samenleving. Als een in de maatschappij breed gedragen normencomplex inzake gedrag, strevingen en verplichtingen heeft nationalisme vaak alles te maken met invented traditions van eenheid en saamhorigheid. Dat is ook het verschil met de wereldbeelden waarvoor het in de plaats is gekomen. Die werden doorgaans gekenmerkt door veelvormige levensvisies die alles te maken hadden met de plaats die men had in de maatschappij. Het wereldbeeld van de timmerman kon daarbij een heel ander zijn dan dat van de geleerde.

UNIFORME STELLIGHEID

Het moslim-fundamentalisme is een vorm van "nationalisme' die niet zozeer opkomt onder omstandigheden van economische opbloei, maar van toenemende armoede. Ook hier benadrukt Gellner de noviteit van het verschijnsel, dat zich (net als Europese nationalismen) graag presenteert als een terugkeer naar goede oude tradities: ""Een stedelijke moslim-vrouw draagt de sluier niet omdat haar grootmoeder dat ook deed, maar juist omdat haar grootmoeder dat niet deed.'' Plaats- en standsgebonden vormen van islam, die geëigend waren een compromis te bewerkstelligen tussen de verplichtingen van het geloof en de economische noden des levens of de sociale omgeving van de gelovige, verdwijnen zo ten gunste van een uniforme stelligheid in de leer, die tot nu toe voorbehouden was aan islamitische schriftgeleerden, de "hogere cultuur' binnen de islam.

Het meest zonderlinge, en voor het Westen wellicht bedreigende aspect bij dit alles is dat zich in de technologisch moderniserende islamitische samenlevingen geen proces van relativering of secularisering voltrekt, zoals de pragmatische westerling eigenlijk voor vanzelfsprekend zou houden. Dat deze situatie remmend werkt op economische ontwikkeling en de oplossing van allerlei andere problemen, schijnt aan de populariteit van het fundamentalisme geenszins afbreuk te doen. En daarin ligt ook eigenlijk het wonder van de opkomst van het fundamentalisme, betoogt Gellner.

Het debat tussen Ahmed en Gellner in de hier genoemde boeken voltrekt zich langs de omweg van het "postmodernisme', de vaagste aller filosofische stromingen (of liever modes, meent Gellner). Ahmeds Postmodernism and Islam, een licht afkeurende rondgang door de westerse populaire massacultuur en de manier waarop in de media de islam als de vijand wordt voorgesteld, is niet onvermakelijk, maar meer een impressie dan een betoog. Gellner betoont zich een krachtig, en ook zeer onderhoudend tegenstander van het bijna volstrekte waardenrelativisme dat het postmodernisme kenmerkt, waarbij beelden of betogen nauwelijks geacht worden meer te betekenen dan hetgeen de beschouwer zelf daaruit "deconstrueert'.

Gellner is een man van de rede en de proefondervindelijkheid. Maar in Reason and Culture - een leesbaar, zoniet spannend historisch betoog - toont hij ook aan dat een redelijk bewijs voor het bestaan van de ratio als dominerend principe niet geleverd kan worden. Wie zich uit naam van de rede dus keert tegen fundamentalisme, of andere op openbaring gebaseerde principes, loopt het risico het verwijt te krijgen, zelf een fundamentalist te zijn, ""een verlicht rationeel fudamentalist''. Gellner neemt dit verwijt maar meteen als geuzenaam aan.

In beide hier benoemde boeken probeert hij de superioriteit van de rationaliteit boven het fundamentalisme aan te tonen. Het bewijs, als de redenering al deze term waard is, berust voornamelijk op het proefondervindelijk nut van de rationaliteit. Op basis van rationaliteit is het mogelijk zonder aanziens des persoons argumenten met elkaar te laten concurreren. Aan de hand van onaantastbare goddelijke openbaring, van Allah of van anderen, is dat heel wat lastiger. Rationalisme, weet Gellner ook, leidt niet vanzelf tot verdraagzame en vreedzame maatschappijen. Maar het is volgens hem wel de enige weg die in die richting loopt.

Dat neemt niet weg dat het onzekere tijden zijn waarin wij leven. De ongerustheid over onmacht, oorlogsgevaar en fundamentalistische bedreigingen uit de moslim-wereld is daar de uitdrukking van. Wie, liever dan zich te storten in boetprocessies voor het jaar tweeduizend of ander vluchtgedrag, wat zelfvertrouwen wil opdoen ten aanzien van eigen cultuur en wereldbeeld, zal met de lezing van Gellner zijn voordeel doen.

    • Raymond V.D. Boogaard