Monterey Pop: het festival van de toekomstige doden

Monterey Pop. Muzikale documentaire van D.A. Pennebaker uit 1968. Zaterdag, Ned. 2 om 23.20-0.45u.

"De moeder aller popfestivals' - zo is het Monterey Pop Festival, dat in 1967 in Californië werd gehouden, de geschiedenis ingegaan. Het was het eerste van de meerdaagse popfestivals waarvan Woodstock het hoogtepunt zou worden. De 50.000 bezoekers zagen er met hun nu weer modieuze kleren en kapsels net zo uit als de huidige festivalbezoekers, zo blijkt uit de film Monterey Pop die D.A. Pennebaker van het festival maakte. Maar ze gedroegen zich anders. Voor een groot deel van de tijd zaten ze vredig op stoeltjes. Geen woest gespring, geen stagediven en geen flauwvallende meisjes. Slechts een enkeling werd door de muziek opgezweept tot extatische balletten, de meesten volstonden met "dansen met het hoofd', de lieflijke voorloper van het headbangen.

Er was ook niet zoveel om opgewonden over te raken. The Mamas and The Papas met hun beschaafde samenzang en Simon & Garfunkel met hun temerige luisterliedjes hadden niet eens de bedoeling om de hippies uit hun stoelen te krijgen. Maar ook de groepen die daar wel op uit waren, zoals The Who, die traditiegetrouw hun instrumentarium aan diggelen slaan, of Jimi Hendrix die zijn gitaar zelfs in brand steekt alvorens hem kapot te meppen, zorgen op tv-formaat voor weinig opwinding. Dat ligt voor een deel aan de belabberde kwaliteit van Pennebakers met de hand opgenomen, schokkerige beelden, maar vooral aan het abominabele geluid. Geen nummer is om aan te horen, alles klinkt als uit een kapotte Oosteuropese autoradio.

Toch is het Monterey Pop Festival legendarisch. Door haar optreden op dit festival kreeg Janis Joplin een contract met een grote platenmaatschappij. Hier begon de zegetocht in eigen land van Jimi Hendrix die er alles aan deed om The Who te overtreffen. En het betekende ook de doorbraak naar het blanke publiek van Otis Redding, die, tot zijn eigen verbazing en ondanks zijn keurige pak, de hippies in vervoering bracht.

Monterey was ook het festival van de toekomstige doden. Jimi Hendrix, Janis Joplin, Otis Redding, Big Mama Cash, Al Wilson (van Canned Heat) en Brian Jones (die overigens niet te zien is in Pennebakers film) - allemaal hadden ze na Monterey niet lang meer te leven.

Maar over al deze dingen krijgen we van Pennebaker niets te weten. Hij volstaat met commentaarloze beelden van de voorbereidingen, de bezoekers, de politie, vloeistofprojecties en natuurlijk van de muzikanten zelf die allemaal een of twee nummers spelen. Alleen de Indiase sitarspeler Ravi Shankar krijgt de ruimte om uit te pakken: maar liefst 20 van de 80 minuten durende film mag hij volspelen met zijn langdradige solo's, eerst begeleid door beelden van het aandachtige publiek en tenslotte van hemzelf. Gemeten naar de lengte van zijn optreden, moet Shankar wel het hoogtepunt van het Monterey-festival zijn geweest.