MOEDWIL EN MISVERSTAND IN DE GOLF

The Gulf Conflict 1990-1991. Diplomacy and War in the New World Order door L. Freedman en E. Karsh 504 blz., gell., Faber and Faber 1993, f 65,50 ISBN 0 571 16457 9

Wie durft de term "nieuwe wereldorde' tegenwoordig nog in zijn mond te nemen? Twee jaar na de geallieerde overwinning op Irak, toen president Bush trots zijn ""uitdaging om de gevaren van wanorde op een afstand te houden'' verkondigde, blijkt de internationale gemeenschap machtelozer dan ooit, worden mensenrechten op loopafstand van West-Europa op grove wijze geschonden, en blijft naakte agressie zonder repercussies. In plaats van het begin van een "nieuwe wereldorde' blijkt nu dat de Golfoorlog volstrekt geen precedent heeft geschapen voor het optreden van de internationale gemeenschap bij schendingen van het VN-Handvest.

Het is een van de conclusies die door L. Freedman en E. Karsh worden getrokken in The Gulf Conflict 1990-1991, een lucide analyse van die merkwaardige episode. Tot nu toe waren boeken over de Golfoorlog zelden memorabel. Slechts enkele, zoals Desert Shield to Desert Storm van Dilip Hiro en Bob Woodwards The Commanders, bevatten een aanzet tot diepgravendheid of gaven enig inzicht in de Amerikaanse besluitvorming tijdens de crisis.

Elke terugblik op de Golfoorlog dient eigenlijk op twee vragen antwoord te geven. Hadden de Verenigde Staten de Iraakse invasie in Koeweit op 2 augustus 1990 kunnen voorkomen door Saddam Hoessein duidelijk te waarschuwen voor de gevolgen? En: waarom faalde daarna het systematisch opvoeren van de druk waardoor uiteindelijk oorlog moest worden gevoerd?

Beide vragen komen in het boek van Freedman en Karsh aan bod. Saddams invasie van Koeweit was naar hun oordeel het resultaat van opeenvolgende misverstanden en verkeerde inschattingen. De buitenwereld had vooral, zo betogen ze, onvoldoende oog voor d e economische malaise waarin Irak terecht was gekomen na de achtjarige oorlog met Iran. Irak was een rijk land, maar stond na dit verwoestende conflict 80 miljard dollar in het krijt en kampte met een volslagen failliete economie. De dictator begon voor zijn politieke overleven te vrezen en tot overmaat van ramp werd zijn van olie-export afhankelijke land in 1990 geconfronteerd met een scherpe daling van de olieprijs, onder andere omdat Koeweit en andere Golfstaten zich weinig aantrokken van OPEC-afspraken over produktiequota.

Wat in The Gulf Conflict 1990-1991 niet helemaal duidelijk wordt, is of Saddam de ruzie over olieprijzen van wezenlijk belang achtte, of alleen maar aangreep om de historische claim van Irak op Koeweit te verwezenlijken. Anders gezegd: was de olieprijsruzie oorzaak of aanleiding? De schrijvers menen dat laatste, maar kunnen deze veronderstelling niet hard maken.

UITERST ARROGANT

In juli 1990 ging het aan alle kanten mis. Iedereen dacht dat Saddam Hoessein blufte: Koeweit zelf, dat zich uiterst arrogant opstelde, de bemiddelende Arabische landen en de Verenigde Staten die neutraal wilden blijven. In het boek worden verzachtende omstandigheden aangevoerd voor de kans die toen is gemist. De later als zondebok aangewezen Amerikaanse ambassadrice April Glaspie werd tot haar eigen verrassing ineens door Saddam voor een gesprek opgetrommeld en had geen tijd meer aan Washington instructies te vragen. Zij kon dan ook niet anders dan zich in algemene termen uitlaten. In ieder geval had zij niet de vrijheid Saddam Hoessein zelfs maar impliciet te dreigen met een militair antwoord op eventueel gebruik van geweld. De Amerikanen wachtten vrij passief de resultaten van de Arabische diplomatie af, en hadden hun hoop vooral gevestigd op de Egyptische president Mubarak die er alle vertrouwen in had dat hij het conflict vreedzaam kon bijleggen.

Pas op 1 augustus, toen de CIA aan de president liet weten dat de invasie binnen 24 uur zou plaatshebben, werd vanuit Washington een duidelijke waarschuwing afgegeven. Toen was het echter te laat. In de vroege morgen van 2 augustus reden de eerste Iraakse tanks Koeweit binnen.

Vanaf dat moment werd volgens het spoorboekje van het VN-Handvest de druk op Irak opgevoerd. Toch lukte het niet een Iraakse aftocht af te dwingen, en dat terwijl volgens de theorie van "coercive diplomacy' dit juist voor sancties zo gevoelige land had moeten inbinden. Het probleem was echter dat de sancties en de eis tot onvoorwaardelijke terugtrekking niet waren gekoppeld aan een diplomatieke uitweg waarmee Saddam zonder gezichtverlies kon instemmen.

Met het aannemen van VN-resolutie 678 op 29 november 1990 waarmee de Veiligheidsraad het licht voor militair geweld op groen zette, en tegelijkertijd de zaak volledig uit handen gaf, kreeg "la logique de guerre', zoals de Franse president het noemde, onverbiddelijk de overhand. Het diplomatieke pokerspel met gijzelaars, missies van ex-staatslieden, hoge afgezanten en via CNN uitgewisselde verklaringen eindigde in een kille climax: de ontmoeting tussen James Baker en Tareq Aziz in Genève. De Iraakse minister van buitenlandse zaken, geflankeerd door Saddams halfbroer, weigerde zelfs een persoonlijke brief van president Bush voor Saddam Hoessein aan te nemen omdat die niet "beleefd' genoeg getoonzet was.

Freedman en Karsh maken duidelijk dat Saddam zijn grote voorbeeld Nasser goed had bestudeerd. Zijn conclusie was dan ook dezelfde als die van de Egyptische leider in 1956: ongeacht de militaire uitkomst zou de strijd van een Arabisch land tegen het Westen in het Midden-Oosten altijd een politieke overwinning betekenen.

DEADLINE

Vlak voor de fatale datum 15 januari 1991 werden de Amerikanen toch nog knap zenuwachtig. Rusland en Frankrijk ondernamen nog laatste pogingen een oorlog te voorkomen. Wat zou er met de internationale coalitie gebeuren als Irak zich vlak voor het verstrijken van de deadline gedeeltelijk terugtrok met uitzondering van een belangrijk olieveld aan de grens en een paar strategische eilandjes? Saddam liet echter ook deze kans voorbij gaan en "Desert Shield' ging onafwendbaar over in "Desert Storm'.

De oorlog zelf kende genoeg spannende momenten. Vier dagen na het begin van de luchtoorlog, toen drie Scuds op Tel Aviv terecht waren gekomen, stegen Israëlische gevechtsvliegtuigen op, blijkt uit dit boek. Defensieminister Arens eiste over een speciale telefoonlijn van zijn Amerikaanse collega Cheney dat de toestellen in Irak hun gang konden gaan. Met de grootste moeite wisten de Amerikanen de Israeli's van een aanval te weerhouden, en zo kroop het Midden-Oosten door het oog van de naald, suggereren de schrijvers.

De afloop van de strijd is bekend. Saddam bleef in het zadel. Overigens zonder de politieke overwinning waarop hij had gerekend, maar wel ten koste van tienduizenden Iraki's die tijdens de oorlog en in de opstanden daarna het leven lieten.

Blijft de grote vraag: had Saddam een bord voor zijn kop? De timing van zijn invasie in Koeweit was, achteraf gezien, de moeder van alle blunders. Irak viel een klein olierijk land binnen in een periode waarin, door het einde van de Koude Oorlog, de supermogendheden elkaar bijna dagelijks omhelsten. Had hij het eerder gedaan dan zou er geen eendrachtige Amerikaans-Russische samenwerking geweest zijn. Had hij het later gedaan dan was er waarschijnlijk een Iraakse atoombom geweest die er een ander spel van had gemaakt.

In dit boek wordt de conclusie getrokken dat de Golfoorlog niet voor niets gevoerd is: het ging om naakte agressie en bovendien was Irak veel dichter bij het bezit van een atoomwapen dan werd aangenomen. Maar de omstandigheden in de Golf waren uniek: een duidelijke agressor, een duidelijk slachtoffer, vitale belangen van het Westen en ideale omstandigheden voor het voeren van een conventionele oorlog. Het probleem is dat al deze factoren afwezig zijn in Joegoslavië.