Militaire grondrechten

Op 30 januari van dit jaar kreeg minister Ter Beeks zojuist gepubliceerde Prioriteitennota in Vrij Nederland de wind van voren van ene A. van Vuuren, een auteur die te oordelen naar het gewicht van zijn woorden een professioneel militair deskundige was.

Van Vuuren betoogde dat Ter Beeks Prioriteitennota op het punt van de internationale crisisbeheersing bij zijn verschijnen al achter de feiten aanliep. “Crisisbeheersing is (echter) lang niet zoveel belovend als werd gedacht en gehoopt. De hoge verwachtingen daarover zijn (helaas) alweer goeddeels achterhaald. Daarmee berust de Prioriteitennota op een verkeerde veronderstelling”. Van Vuurens betoog was met zakelijke feiten onderbouwd en in zijn argumentatie kwam geen onvertogen woord voor.

In diezelfde week wees een militair deskundige onder de vrijwel gelijkluidende naam A.J. van Vuren op de opiniepagina van NRC Handelsblad op de risico's die naar zijn mening verbonden waren aan het voornemen van de regering een F-16 squadron in VN-verband te laten uitvliegen om een vliegverbod boven Bosnië-Herzegovina te helpen afdwingen. De schrijver liet de waarschuwing horen dat met een dergelijke maatregel een fundamentele grens werd overschreden. In plaats van vrede te bewaren en humanitaire hulp te verlenen zou de Nederlandse luchtmacht onafwendbaar in een strijd tegen de Serviërs betrokken raken. “Dit moet wel een Servische reactie teweegbrengen tegen het VN-personeel in het voormalige Joegoslavië (). Het VN-personeel wordt in feite gijzelaar van de strijdende partijen”. Ook in deze kritiek: geen onvertogen woord.

Het duurde enige tijd voordat het tot de leiding van het ministerie van defensie was doorgedrongen dat A. van Vuuren (Vrij Nederland) dezelfde auteur was als A.J. van Vuren (NRC Handelsblad), een in Mönchen-Gladbach gedetacheerde generaal-majoor van de koninklijke landmacht. Van Vuren was een buiten-functionaris (en niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de Prioriteitennota): Deputy Chief of Staff Operations op het Duitse Navo-hoofdkwartier (Northag). Toen diens auteurschap werd vastgesteld, moest Barbertje hangen. De Bevelhebber der Landstrijdkrachten, luitenant-generaal H.A. Couzy, zette zich achter zijn schrijftafel en dicteerde in opdracht van de minister een dienstbevel, dat door Van Vuren werd opgevat als een schrijfverbod. Hij las dat hem werd opgedragen “zich in de toekomst te onthouden van via de media te uiten kritiek op de Prioriteitennota” (25 februari 1993).

Het bevel werd aldus gemotiveerd: “Ik breng onder uw aandacht dat terzake van meningsuitingen van (militaire) ambtenaren een bepaalde terughoudendheid wordt verwacht, hetgeen meer formeel is verwoord in artikel 12a van de Militaire Ambtenarenwet. Krachtens dit artikel dient de militaire ambtenaar zich te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens, indien door de uitoefening van dat recht de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.”

Naar algemene opvatting, aldus Couzy, diende die terughoudendheid bij het openbaren van meningen of gevoelens groter te zijn naarmate de desbetreffende ambtenaar nauwer betrokken was bij het beleid “of door zijn positie binnen de krijgsmacht de schijn van directe betrokkenheid daarbij wekte”(). De minister van defensie, schreef Couzy, “is van mening dat u in uw hoedanigheid van generaal-majoor in uw kritiek op de Prioriteitennota in de NRC en in Vrij Nederland te ver bent gegaan en de grenzen van het toelaatbare hebt overschreden”.

Daarmee was de beker des toorns nog niet geheel geledigd. Er volgde nog een eigenaardig preekje in de stijl van compagniescommandant-intimideert-lastige -rekruut. “Van u mag, gelet op uw rang en functie, worden verwacht dat u met volle inzet meewerkt aan de uitvoering van een eenmaal door de politieke leiding gekozen beleidslijn, ook als u persoonlijk deze niet de meest juiste acht. De door u genomen beslissing om uw kritiek op de Prioriteitennota te publiceren op de wijze waarop u dat hebt gemeend te moeten doen, is mede gelet op de aard van de materie, dan ook afkeurenswaardig. Ik draag u namens de minister van defensie op om in het vervolg niet meer in de media kritiek op vastgesteld beleid te leveren”. Was getekend H.A. Couzy, luitenant-generaal.

De principiële vraag die hier in het geding werd gebracht raakte de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting; meer in het bijzonder de vraag of een militair ambtenaar in het publieke debat (over het regeringsbeleid) dezelfde vrijheid toekomt als niet-militaire ambtenaren. Mag een generaal-majoor (of een sergeant-majoor) meedoen aan het intellectuele debat over het regeringsbeleid dat hem raakt? En mag hij dan vrijuit spreken of moet hij doorlopend bedenken dat hij zijn carrière in de waagschaal stelt als hij de minister te na komt. In redelijkheid zou men militaire ambtenaren niet mogen onthouden wat hoofdcommissarissen van politie (type-Nordholt) of secretarissen-generaal (type-Geelhoed) wordt toegestaan. Zo liberaal denkt minister Ter Beek er kennelijk niet over (wel toen hij nog oppositioneel Kamerlid was en op de bres stond voor officieren die een afwijkende mening hadden over het kruisrakettenbeleid van de regering, maar tot consistentie is de oppositie nooit gehouden geweest).

Voor de meeste militairen zou dit het einde van het verhaal zijn, maar niet voor de constitutioneel geschoolde generaal Van Vuren. Hij stapte naar de rechter en eiste daar (Sector Bestuursrecht arrondissementsrechtbank Den Haag) eerbiediging van zijn grondwettelijke vrijheid van meningsuiting. Helaas kwam het niet tot behandeling van de zaak doordat Defensie op het laatste moment overstag ging.

Defensie besloot het uit te praten en trok onder het bakken van zoete broodjes het dienstbevel in. De afkeuring die Ter Beek over de kritiek van Van Vuren had uitgesproken bleef weliswaar van kracht, maar de intimiderende passages werden herroepen en het departement toonde zich ook nog bereid Van Vuren de kosten van zijn advocaat te vergoeden. “Het is mij duidelijk geworden”, schreef Couzy, “dat u een deel van het door mij gestelde opvat als een verbod op voorhand op vrije meningsuiting. Daargelaten of nadere lezing de door u daaraan gegeven interpretatie toelaat, wil ik onder uw aandacht brengen dat zulks niet in de bedoeling heeft gelegen. Derhalve neem ik namens de Minister terug hetgeen ik u heb opgedragen”. Ter Beek had op tijd begrepen dat hij het risico liep de zaak voor de rechter te verliezen. Het is jammer dat hij retireerde. De zaak was principieel belangrijk genoeg om een rechterlijke uitspraak uit te lokken. Andere officieren moeten nu de fakkel overnemen.