Is een uitvinding bezit van het bedrijf of van de stagair?

Een stagiair bij TNO (Toegepast Natuurkundig Onderzoek) vraagt een jaar na zijn afstudeerstage octrooi aan op een toepassing van de uitvinding die hij indertijd deed bij TNO. De vraag is nu wie recht kan doen gelden op deze uitvinding: de stagiair of TNO?

ROTTERDAM, 19 JUNI. “Het gaat me niet om het geld”, zegt drs. A. de KLerk. “Maar ik wil het ook niet zomaar weggeven.” En ook L. Bouwer van TNO verzekert dat geld geen rol speelt, de uitvinding in kwestie is "commercieel oninteressant' volgens hem.

Het gaat dus om het principe: wie kan recht doen gelden op een uitvinding? De stagiair die bij het doen van zijn uitvinding op enigerlei wijze gebruik maakt van de mogelijkheden die de stageplaats hem biedt? Of de stagegever, zonder wiens faciliteiten de student wellicht nooit tot zijn vinding was gekomen?

Als student technische natuurkunde in Delft deed De Klerk in 1989 een interessante vondst bij het reduceren van statische elektriciteit op films. Dat was tijdens zijn afstudeerstage van een jaar bij TNO, in het kader van een onderzoek dat het instituut had opgezet. Zijn bevindingen verwerkte hij in een stageverslag, dat hij inleverde bij zijn begeleider en daarmee was dit onderdeel van zijn studie afgerond.

Een jaar later volgde hij het keuzevak octrooirecht. “Volstrekt toevallig”, zegt De Klerk nu. Hij had nooit de bedoeling zijn vinding te deponeren. Maar het toeval wilde toch dat hij bij wijze van examen voor dit vak een eigen uitvinding mocht presenteren. Hij herinnerde zich zijn stageverslag en bedacht een toepassing van zijn ontdekking. Zijn docent mr. ir. A. Rijlaarsdam moedigde hem aan het octrooi ook daadwerkelijk aan te vragen. Hij kreeg er tot zijn verbazing zelfs subsidie voor en wendde zich tot het Nederlandsch Octrooibureau.

Daar liet hij de stage-overeenkomst zien die hij met TNO had moeten sluiten. Artikel 7 daarvan anticipeert op de mogelijkheid dat de stagiair een vinding doet: “De stagiair heeft geen recht op de resultaten van de door hem in genoemde hoedanigheid (...) verrichte werkzaamheden.” Alle rechten daarop, zo gaat het artikel voort, moet hij afstaan aan TNO.

Geen probleem, dacht De Klerk. De toepassing van zijn ontdekking _ en daarop wilde hij octrooi aanvragen _ had hij niet bij TNO bedacht. En zijn stageverslag was openbaar, dus elke andere student had, op basis van dat verslag, tot dezelfde toepassing kunnen komen. In een gesprek, dat hij op aanraden van het Octrooibureau voerde met TNO, bracht hij dat ook naar voren. Vijf weken later lag er bij hem thuis een woedende brief van TNO.

“Wij hebben geconstateerd dat de door U ingediende octrooi-aanvrage is gebaseerd op inzichten welke U zonder toestemming van TNO heeft ontleend aan terzake door TNO ontwikkelde kennis.” En of De Klerk het octrooi maar wilde overschrijven op naam van TNO. Een kwestie van principe, aldus Bouwer, hoofd Commercieel beleid van TNO. “Als wij iemand in huis halen, allerlei bedrijfsgevoelige informatie geven, en hij loopt vervolgens de deur uit en vraagt octrooi aan, waarmee hij een deel van onze kennis publiceert, dan is dat slecht voor onze reputatie.”

In de “onvriendelijke en onredelijke” brief werd van De Klerk tevens geeist dat hij zich “tot het uiterste (zou) inspannen om de commerciele exploitatie van de octrooi-aanvrage c.q. het octrooi tot een succes te maken”. En of hij maar 75 procent van zijn inkomsten wilde afstaan aan TNO. Niet dat de kans op inkomsten groot is, denkt Bouwer. “Per jaar vindt zo'n 1 a 2 procent van het aantal aangevraagde octrooien een toepassing. En daarvan is slechts een fractie commercieel interessant.”

Doet er niet toe, meent De Klerks raadsman, mr. L. de Jong, een dergelijke stage-overeenkomst is niet redelijk en billijk. De Klerk heeft afstand gedaan van rechten waarop hij als student nog geen zicht kon hebben. En zonder verdere voorwaarden: alle intellectueel eigendom zou voor TNO zijn, De Klerk zou geen aanspraak kunnen maken op geld of eer voor zijn uitvinding.

Jurist mr. L.A. de Waard van het Octrooibureau kan geen uitlating doen over de juistheid van De Klerks bezwaar. De zaak zelf kan hij zich niet meer herinneren, elk jaar maakt hij wel vier of vijf vergelijkbare gevallen mee van stagiairs die in botsing komen over intellectueel eigendom. En die waarschuwt hij dan dat, als ze een octrooi aanvragen, ze zich wel moeten houden aan de overeenkomst die ze met hun stagegever hebben afgesloten. En dat het gevolg daarvan kan zijn dat het octrooi wordt gesteld op naam van de stagegever. Meer niet: “Wij kunnen niet met zekerheid stellen wat de consequenties van de overeenkomst zijn en het is daarom niet aan ons de billijkheid van die afspraken te beoordelen.”

Aan de langdradige juridische procedure die is gevolgd op De Klerks weigering akkoord te gaan met de voorwaarden van TNO, is na ruim een jaar nog geen einde gekomen. Gisteren besloot de rechtbank in Den Haag dat de Octrooiraadadvies moet geven over deze zaak. Een termijn werd daarbij niet genoemd.

“Mocht de rechter De Klerk uiteindelijk gelijk geven”, zegt Bouwer dreigend, “dan komen dat soort mensen er bij ons niet meer in.”