Interview met directeur Mudra van beroemdste bierbrouwerij ter wereld; Tsjechische brouwer kan verkoop "Pilsner'-bier alleen af

PLZEN, 19 JUNI. De berichten dat de beroemdste bierbrouwerij ter wereld, Plzenské Pivovary, op het punt staat bankroet te gaan zijn nonsens. De berichten dat de brouwerij naarstig op zoek is naar een financieel krachtige buitenlandse partner om uit de moeilijkheden te komen zijn dat ook.

Dat zegt commercieel directeur Miroslav Mudra, een van de vier topmanagers van het bedrijf. Dat dergelijke berichten circuleren, en dat in dat verband vaak de naam van Heineken opduikt, schrijft Mudra toe aan de “afschuwelijke campagne” van het Tsjechische ministerie van landbouw, waaronder de bierbrouwerij, als verwerker van landbouwprodukten altijd heeft geressorteerd. Die campagne was er volgens Mudra op gericht om de moeilijkheden van de brouwerij zo zwart af te schilderen, dat het bijna niet anders kon dan dat er een buitenlandse strategische partner gezocht moest worden.

“Het ministerie maakte misbruik van bepaalde financiële gegevens en gaf er een verkeerde interpretatie van”, zo zegt Mudra. “Maar er is helemaal geen noodzaak om een partner te zoeken. Onze strategie is erop gericht de produktie in de komende vijf jaar te verdubbelen en dat doen we op eigen kracht en met onze eigen mensen. Daarvoor hebben we beloften gekregen van de banken. We willen een sterke, onafhankelijke Tsjechische onderneming houden.”

Met het verdwijnen van de zeggenschap van de staat in de te privatiseren voormalige staatsbedrijven moet er een eind komen aan de invloed die een ministerie als dat van landbouw op de brouwerij kon uitoefenen. Tot dusver is de privatisering van de brouwerij nog steeds niet voltooid. Maar sinds eerder deze week een akkoord is gesloten over de rechten op de merknaam Pilsner Urquell kan het bedrijf zijn strategie eindelijk zelf bepalen, zonder inmenging van buitenaf, hoopt Mudra.

Dat akkoord houdt in dat er een nieuwe emissie van aandelen zal worden gedaan waarvan de opbrengst geheel ten goede van de Tsjechische staat komt. Om welk bedrag het zal gaan is nog onderwerp van onderhandelingen. In ruil daarvoor kan de brouwerij in Plzen vrijelijk over de merknaam Pilsner Urquell, die soortnaam is geworden van het "pilsje', beschikken.

Mudra ontkent niet dat er grote moeilijkheden zijn geweest. In 1991 ontstond een bittere strijd in het toenmalige management van de brouwerij over de vraag of de vele buitenlandse vrijers die om de hand van de koningin der brouwerijen dongen de deur moest worden gewezen. Iedereen bemoeide zich ermee, het meest nog de toenmalige minister van privatisering, Tomás Jezek, die verkondigde dat de brouwerij tot het Tsjechische “familiezilver” behoort en daarom niet zou worden verkwanseld. Hoewel dat concept kortgeleden door de Tsjechische premier, Václav Klaus, verantwoordelijk werd gesteld voor de stagnatie van buitenlandse deelnemingen in de Tsjechische industrie, speelt het kennelijk nog steeds een rol.

De grote crisis voor de brouwerij kwam tijdens de lange hete zomer van 1992, toen ze de massale dorst van de Tsjechen in het land en de miljoenen toeristen in Praag niet aankon als gevolg van het gebrekkige distributiesysteem. Op 1 augustus trad een nieuw management aan, waarvan Vladimr Perina voorzitter en Mudra vice-voorzitter is. De vroegere directeur Jerabek werd gedegradeerd tot chef van de mouterij.

Inmiddels is het eigen distributienet aangevuld met een aantal lokale onafhankelijke groothandelaren en nu loopt de distributie beter, gelooft Mudra. “We pakken nu de marketing aan en voeren vooral een sterke merkpolitiek”, zegt Mudra, die zestien jaar geleden als leerling bij de brouwerij is begonnen. Na de middelbare school heeft hij brouwtechnologie gestudeerd, maar later schakelde hij over naar marketing en buitenlandse handel. In dat vak heeft hij ook in Canada ervaring opgedaan.

Mudra is onverwoestbaar optimistisch. Ook al heeft de vroegere exportmarkt in Oost-Europa, waar het kostbare Prazdroj (Tsjechisch voor Urquell) tegen dumpprijzen op de markt werd gebracht, een enorme klap gekregen, niemand heeft de magische klank ervan vergeten. Mudra: “Vooral in Hongarije doet Prazdroj het goed. Er zijn in en om Boedapest zo'n zeventig nieuwe cafés geopend waar het wordt verkocht, er is 50 procent verhoging van de consumptie. Zelfs in Rusland, waar Prazdroj vroeger spotgoedkoop was, verkopen we dit jaar driemaal zoveel als vorig jaar. Het gaat ook goed in de voormalige DDR, van het B-merk Gambrinus is vorig jaar in Duitsland 70.000 hectoliter verkocht.” In West-Duitsland, waar Urquell wordt gedistribueerd door een kleine, niet concurrerende fabrikant van frisdranken en bier met een laag alcoholgehalte, liggen de exportcijfers al enkele jaren op hetzelfde niveau (zo'n 100.000 hectoliter per jaar, de helft van de totale export van Urquell).

Duitsland lijkt wat dat betreft een uitzondering. De Pilsener brouwerij streeft ernaar om in verschillende regio's in de wereld haar verkoop te laten verzorgen door grote brouwerijen. In de VS is dat Guinness, in Japan Kirin, in Nederland en Frankrijk Heineken. “We willen commerciële samenwerking”, zegt Mudra, “maar niet meer dan dat.”

De modernisering van het produktie-apparaat van de brouwerij is inmiddels in volle gang. De installatie van 48 nieuwe fermentatietanks is voltooid, en als daarbij nog 56 andere zijn gevoegd zal de produktie van het, vooral in Tsjechië populaire lichtere bier, ongeveer tweederde van de totale produktie, verdubbeld kunnen worden. Vorig jaar produceerde de brouwerij in totaal 3,5 miljoen hectoliter, 1,3 miljoen hectoliter daarvan was Urquell.

In een dichtbij gelegen bouwput verrijst het gebouw waar de filtratie-, koel- en bottelarijmachines worden geplaatst. Voor de modernisering en nieuwbouw is een bedrag van 3,5 miljard kronen (224 miljoen gulden) over vijf jaar nodig. Een gigantisch bedrag in een land waar kapitaal schaars, en dus duur is. Of het de brouwerij in Plzen zal lukken om deze krachttoer zonder hulp van buitenaf uit te voeren lijkt vooral af te hangen van de vraag hoe hard de belangrijkste aanhouders van Urquell, de Tsjechische investeringsfondsen en banken die samen ongeveer 60 procent van de aandelen bezitten, geld nodig hebben. Want die hebben waarschijnlijk lak aan het argument dat het familiezilver niet mag worden verkocht.

    • Frits Schaling