In Athene is Karadzic een graag geziene gast

ATHENE, 19 JUNI. “De Serviërs zijn niet alleen. God en de Grieken staan aan hun zijde”, zo zei de Bosnisch-Servische "president' Karadzic deze week tijdens een bezoek aan Athene, georganiseerd door een semi-clericale "Maatschappij voor Servisch-Griekse Vriendschap'. Tevoren had de Griekse oppositieleider Andreas Papandreou hem tijdens een ontvangst te zijnen huize al een "strijder voor de vrede' genoemd. En een hem aangeboden concert met Servische en Griekse volksmuziek in een overdekt stadion werd bijgewoond door de aartsbisschop van Athene, de voorman van het overkoepelende Griekse vakverbond en afgevaardigden van alle grote Griekse partijen.

Alleen een sectie van de partij "Alliantie van Links en Vooruitgang' had zich van het bezoek gedistantieerd. Haar Europarlementariër Michalis Papayannákis ontwikkelt zich geleidelijk tot voornaamste criticus van Athenes "pro-Servische opstelling'. Het kleine dagblad Avgi bevatte protesten tegen de "obscurantistische opzet' van het concert en tegen het feit dat de jeugdbeweging van een fascistisch partijtje vanuit een vleugel van het stadion de bijvalsbetuigingen domineerde.

Karadzic heeft hier onmiskenbaar aan populariteit gewonnen sinds de grote conferentie in Vouliagmeni bij Athene, waar hij, duidelijk tegen zijn zin, zijn handtekening zette onder het Vance-Owenvredesplan. Hij wordt hier gezien als een zuivere patriot, met de allure van Griekse vrijheidsstrijders uit de Opstand van 1821. De Servische president Milosevic geldt als de grote realist - ook voor hem is er nog altijd bewondering en een uiterst gebrekkige informatie zorgt ervoor dat de meeste Grieken geen weet hebben van de wijze waarop de Servische oppositieleider Draskovic is opgesloten na in elkaar te zijn geslagen. Premier Mitsotakis heeft wel aangedrongen op zijn vrijlating.

Diezelfde Mitsotakis maakt de laatste dagen geen geheim van zijn droom dat Athene op korte termijn het toneel wordt van een "uiteindelijke' Balkan-conferentie, waarop in het bijzonder Servië en Kroatië tot elkaar zouden moeten komen en Bosnië zich bij een verdeling zou moeten neerleggen. De rol die Griekenland daarbij zal spelen zal het land moeten afhelpen van zijn honderd procent pro-Servische reputatie waarvan ook Mitsotakis begrijpt dat zij schadelijk is.

Nog onvoldoende lijkt men hier echter te beseffen dat het begrip "conferentie', met betrekking tot de Balkan-tragedie, veel van zijn luister heeft verloren en bij de publieke opinie nu voornamelijk wordt geassocieerd met camouflage van de verschrikkingen die onderwijl verhevigen maar met minder publiciteit doorgaan. Reeds beseft men hier achteraf dat "Vouliagmeni I' niet veel meer is geweest dan een onwezenlijke poppenkast, zoals de meeste andere "vredesconferenties' over de Balkan.

    • Frans van Hasselt