IDEEËN VAN DE STRAAT

Chic Thrills. A Fashion Reader redactie Juliet Ash & Elizabeth Wilson 250 blz., gell., Pandora 1992, f 55,15 ISBN 0 04 440824 2

De eerste buitenlandse modejournalisten die in augustus 1944 in het pas bevrijde Parijs arriveerden, waren fotografe Lee Miller en Alison Settle. Na vier jaren oorlog en sobere "utility-kleding', waarbij stof, knopen en accessoires gerantsoeneerd werden, stond hun hoofd niet naar couture. Miller kwam net van de frontlinies, waar zij het geweld had vastgelegd in haar befaamde fotoreportages. De Engelse Settle was bezorgd over de toestand van haar enige zoon, die bij de slag om Arnhem zwaar gewond was geraakt.

Terwijl de granaten nog in hun oren nadreunden en er bloed aan hun laarzen zat, was de aanblik van jonge Parisiennes in elegante, stofverslindende zomerjurken en kleurige ensembles voor hen een klap in het gezicht. Nog groter was de schok toen bleek dat tijdens de oorlog maar liefst honderd van de beroemde Parijse modehuizen in vol bedrijf waren gebleven. Het nieuws dat de Franse kledingindustrie op grote schaal met de Duitse bezetters had gecollaboreerd, veroorzaakte dan ook een internationaal schandaal.

In Chic Thrills, een door Juliet Ash en de bekende feministische sociologe Elizabeth Wilson samengestelde bundel over mode in heden en verleden, beschrijft de Engelse kostuumhistorica Lou Taylor dit schandaal, en hoe het in 1945 bliksemsnel in de doofpot verdween. Slechts enkele Parijse couturiers, zoals Madame Grès, Balenciaga en Mainbocher, hadden tijdens de bezetting hun salons moeten sluiten, maar de meeste ontwerpers werkten door alsof er niets aan de hand was. Jacques Fath, Nina Ricci en Marcel Rochas stortten zich zelfs tijdens het Nazi-bewind ongegeneerd in het Parijse uitgaansleven. Lucien Lelong (die uitvoerig onderhandelde met de Duitse autoriteiten over de positie van de modehuizen en de aanvoer van materiaal), het huis Patou, Jeanne Lanvin en Marcel Rochas ontwierpen met overgave opvallend luxe en extravagante kleding voor echtgenotes van Franse collaboreurs, gelijkgeschakelde Parijse theater- en filmsterren en de nieuwe rijken, de zogenaamde Dames du Marché Noir (ook wel BOF's genoemd, naar de beurre, oeufs en fromage die ze zwart verhandelden).

DESIGNER CULTUS

Taylors onderzoek naar de duistere (en uit het collectieve geheugen geschrapte) oorlogsjaren van de Parijse haute couture laat zien dat schrijven over kleding niet saai of truttig hoeft te zijn. Sterker nog: deze bijdrage aan Chic Thrills bewijst eens te meer dat schrijven over de geschiedenis van mode interessanter is dan schrijven over modetheorieën. Die zijn sinds de publikatie van Thorstein Veblens The Theory of the Leisure Class (1899) en Roland Barthes Système de la Mode (1957) verzand in een oeverloze discussie, waarbij telkens dezelfde open deuren worden ingetrapt. Wanneer mode al te serieus wordt benaderd, verdwijnt het plezier al snel.

Chic Thrills maakt duidelijk dat dit genre nog altijd niet is uitgewoed maar ook dat het anders kan. In de bundel staan vrij onleesbare essays over de rol van het postmodernisme en trendy artikelen over de modefotografie in de jaren tachtig naast scherpe analyses van het "trickle-up' effect van arbeiderskleren (jeans, t-shirts) en diepgravende beschouwingen over utopische kleding in de geschriften van zestiende-eeuwse denkers zoals Thomas More en Francis Bacon.

Ash en Wilson willen met deze verzameling een ""politieke geschiedenis van mode-ideëen'' presenteren, en keren zich vooral tegen de inspiratieloze retrostijlen (zoals de hippie-look) die sinds de jaren tachtig zo verlammend werken op het modebeeld. Kleding moet weer vernieuwend worden, vinden ze: ""De meest urgente noodzaak voor de volgende generatie ontwerpers is het bedenken van nieuwe ideeën.''

Veel van de stagnatie is volgens de samenstellers te wijten aan de "designer cultus' waarbij ontwerpers als Karl Lagerfeld, Jean-Paul Gaultier en Romeo Gigli als renaissance-kunstenaars verafgood worden. In feite is er de laatste jaren weinig originele mode geproduceerd en de toegenomen glamour beneemt het zicht op de grote structurele veranderingen in de kledingindustrie. Zo is Parijs niet meer het ontwerpersmekka van weleer, menen Ash en Wilson, maar nog slechts het commerciële centrum van de mode. Als voorbeeld noemen zij het anonieme miljardenbedrijf LVMH, dat momenteel Christian Dior, Givenchy, Parfums Christian Lacroix, Lanvin, Balmain en het cosmeticabedrijf L'Oréal bezit. Onlangs besloot LVMH als financier van Balmain met een pennestreek om dit beroemde modehuis vanwege de rode cijfers op te doeken.

Het zijn nu de mannetjes in grijze pakken die de dienst uitmaken in de Franse modewereld. Haute couture-jurken worden niet meer vervaardigd voor particuliere klanten die mooie kleding willen dragen, maar ingezet als media-geniek lokmiddel in de strijd om de massamarkt van parfums, cosmetica en accessoires.

SPORTKLEDING

Vernieuwingen in kleding worden tegenwoordig eerder benvloed door muziek, films en de straat dan door Parijse modehuizen, analyseert de Jamacaans-Engelse ontwerpster Carol Tulloch terecht in Chic Thrills. In haar bijdrage "Rebel without a Pause' laat ze zien dat jeugdcultuur en etniciteit al een lange tijd een grote rol spelen in ons kleedgedrag. Dat begon in de vroege jaren zestig, toen Engelse mods en skinheads (o ironie) met ontzag keken naar de modestijl van de zwarte immigranten uit de voormalige koloniën. Hun zwarte hoeden, leren jacks en strakke broeken met te korte pijpen gaven ook de blanke jongere immers het uiterlijk van een "cool cat'.

bpDe komst van reggae, funk, ska, en hip-hop, en de daarbij behorende kledingstijlen, hebben, aldus Tulloch, nog verder bijgedragen tot het afbrokkelen van het "designers wear syndrome'. Bob Marley heeft met zijn dreadlocks, zijn voetbalshirts en zijn rasta-kleurige trainingspakken waarschijnlijk meer in gang gezet dan Gaultier ooit kon dromen. Sportkleding in het openbaar was vroeger voor sukkels, nu is het niet meer weg te denken uit de garderobe van moderne jongeren - het hip-hop ensemble Run DMC zingt zelfs zonder schroom een loflied over "My Adidas'. Daarnaast zijn afzakkende jeans die met een veiligheidsspeld worden vastgemaakt, "bomber-jacks', namaak-gouden kettingen (door sommige zwarten trouwens versmaad vanwege de connotatie met Zuid-Afrikaanse mijnen) en de onafscheidelijke baseball-pet verplichte dracht.

Nu ook het uiterlijk van de blanke middenklasse zo door de getto-look wordt benvloed, is het geen wonder dat zwarte couturiers als Charlie Allen, Robert Lewis Stephenson, Joe Casely-Hayford en Jazzy B (die onder meer de zanggroep Soul II Soul "styleert') sterk in opkomst zijn. Overigens ontwerpen zij allang niet meer uitsluitend kleren vanuit een strikt etnische inspiratie. Tegenwoordig combineert Stephenson even gemakkelijk Britse marine-streepjes met Afrikaanse zebra-prints en West-Indische accessoires. Want, zegt Casely-Hayford: ""Mode is een van die gebieden waar het niet uitmaakt of je groen, blank of zwart bent - het is altijd een probleem.''