Het Nederlandse platteland volgens Gerard van Westerloo; TE VOET NAAR HUMMELO

Voetreiziger. Verslag van een tocht door Nederland 257 blz., De Bezige Bij 1993, f 34,50 ISBN

In de zomer van het jaar 1823 maakten de jonge Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hoogendorp een uitvoerige wandeltocht door Nederland. Ze noteerden iedere kleinigheid - tot het aantal ""carbonaadjens' waarmee ze 's ochtends om vijf uur ontbeten - en honderdzeventig jaar later leest hun verslag nog als een unieke momentopname van het toenmalige platteland.

Onlangs verscheen een boek dat bijna als een vervolg gezien kan worden op het dagboek van Van Lennep en Hoogendorp. In Voetreiziger brengt de Vrij Nederland-journalist Gerard van Westerloo opnieuw verslag uit van de stand van zaken in Broek op Langedijk, Stavoren, Eenrum, Hummelo en Slenaken. Elfhonderd kilometer liep hij door het hedendaagse Nederlandse platteland, om de grote steden heen, slapend in vertegenwoordigershotels of in het hooi. Onderweg volgde hij dezelfde methode als zijn negentiende-eeuwse voorgangers: hij liet zich leiden door het toeval, hij praatte met iedereen die hij tegenkwam, of het nu Limburgse pastoors, Friese kruideniers of Groningse herenboeren waren, en hij liet alle vooroordelen thuis.

""Ik ben op weg gegaan vanuit een soort heimwee,' zegt Gerard van Westerloo achteraf. ""Om een kalm, rustig Nederland terug te vinden dat vroeger bestaan heeft. Ik wilde gaan kijken of dat land nog bestond. En ja, het bestaat nog.'

Het was in Broek op Langedijk dat Van Westerloo bij het begin van die wandeltocht voor het eerst een man ontmoette van wie hij dacht: goh, dat is géén stedeling. ""Het was een oude veilingmeester, een stevig gebouwde man met een zwaar bepoederde bolknak in zijn mond, die er tijdens het praten ook niet uitkwam. Die man zei dingen die je in de stad nooit zult horen. Alles drukte hij in geld uit. En dan niet in slimme speculantenbedragen, maar in eerlijke, ronde sommen. Geluk, de waarde van de Heer in de hemel, alles was geld. Een typisch onstadse man. Dat was de eerste. En daarna zijn er velen gevolgd."

Wat is "onstads'?

""Ik ben tijdens die wandeltocht opvallend veel mensen tegengekomen met een kalme wereldbeschouwing, waaraan sinds hun jeugd weinig veranderd is. Hun beeld is dat van een ordelijke en overzichtelijke wereld, waarin het Eeuwige Leven een grote rol speelt. Mijn boek staat vol met geloof, met kerken, met kerkelijke activiteiten, met verwijzingen naar de Bijbel, met taal die aan het geloof ontleend is. Niet omdat het mijn speciale interesse is, maar omdat ik er voortdurend tegenaan liep.

""Je komt tijdens zo'n voetreis ook in aanraking met een andere taal. Een taal die nog niet is aangeraakt door jargon, door sociaal jargon, door politiek jargon, door radio jargon, door enquêtecommissie jargon. Het is levend Nederlands. Er bestaan op het platteland nog woorden en zinsconstructies die je in de stad niet meer hoort. Mensen die een probleem voordat ze "het groene licht geven' nog even "in de ijskast zetten', je komt ze op een dorp zelden tegen.'

Beschrijft dit boek niet een uitstervend soort?

""Dat denk ik wel, ja. Heel veel dorpen lijken nog wel het dorp dat ze waren, maar in werkelijkheid zijn ze dat allang niet meer. Als je met een oude dorpskruidenier aan de praat raakt hoor je vaak dat zijn woonplaats in niets meer lijkt op het dorp van zijn jeugd, dat tachtig procent van de huizen bewoond wordt door forenzen uit de stad, door bedrijfsleiders, wetenschappers en ambtenaren.

""Daar komt nog bij dat de grotere dorpen en de kleinere plattelandsplaatsen steeds meer op elkaar beginnen te lijken. Overal zie je dezelfde winkelstraten met een Etos en een Blokker en een Hema. Als je twintig jaar geleden door Haaksbergen en door Groenlo liep, zag je twee verschillende plaatsen met een duidelijk eigen karakter. Als je nu door beide dorpskernen loopt is er op het oog nauwelijks meer verschil.

""Wat je overal ziet zijn die plukjes asylzoekers in tweedehands jassen die ergens in de buurt van zo'n plaatsje zijn ondergebracht. Met hun ziel onder hun arm hangen ze maar wat rond in zo'n winkelcentrum, en niemand heeft eigenlijk contact met ze. Dat is een van de treurigste dingen die je op zo'n lentewandeling meemaakt.'

Neemt het heimwee van de Nederlanders toe? Als je ziet hoeveel klompenmakers en drabbelkoekenbakkers in dit boek opduiken....

""Er is op het platteland inderdaad een enorme trek naar pseudo-echte dingen. Een "echte' oude drabbelkoekenbakkerij, een "echte' oude zaagmachine, een "echte' oude stijlkamer. Soms worden er zelfs grote bouwwerken gemaakt die helemaal niet oud zijn, maar die wel zo door het leven moeten: een "echte' oude mosterdfabriek bijvoorbeeld, of een "echte' oude azijnfabriek. Daar gaan dan drommen bussen heen.

""Er bestaat geen heimwee meer naar de slag bij Heiligerlee, of naar de Gouden Eeuw, maar er is een sterke hang naar dingen die lijken op hoe het vlak voor de oorlog was. Ik denk dat die nostalgie vooral te maken heeft met een behoefte aan sociale overzichtelijkheid. Veel mensen uit de stad willen zich eventjes laten strelen door een minder kosmopolitische wereld dan nu in de steden bestaat. Steden als Amsterdam, Kopenhagen en Parijs zijn tot op zekere hoogte uitwisselbaar geworden. Voor het Nederlandse platteland geldt dat niet. Dat is uniek. Dat eigene, ook daar bestaat een toenemend heimwee naar.'

Dit boek lijkt een soort journalistiek van het alledaagse.

""Journalisten die gewone, korte nieuwsstukken schrijven weten meestal al van tevoren wat ze ervan vinden, en daar zoeken ze materiaal bij. Hier kom je er pas gaandeweg achter hoe het in elkaar zit, je moet totaal blanco op een situatie afstappen. Het is wel een genre dat ruimte nodig heeft en die ruimte is er helaas steeds minder. Het klinkt gek, maar het schrijven over gewone mensen stelt veel hogere eisen aan de vorm dan het schrijven over ongewone mensen. Als je over alledaagse dingen niet op een bijna literaire manier schrijft, gelooft niemand je. Het valt op de een of andere manier dood, het wordt sloom en vervelend. Over bekende Nederlanders leest iedereen, gewone mensen moeten vorm hebben.'

bpIs er nog iets terug te vinden van de dingen die Van Lennep en Van Hoogendorp in 1823 zagen?

""Gebouwen en monumenten die zij beschreven staan er nog steeds, maar van de wereld waar ze doorheen liepen, zag ik slechts een enkele keer een glimp terug. Ik kan me een weg herinneren bij Rijs, in Friesland, bij een bos dat naar het IJsselmeer afloopt - ""Treffend is het om komende uit het kreupelhout de Zuiderzee aan zijne voeten te zien welke de korenvelden komt besproeien,' schreven ze - en ik dacht: zo heb ik het ook gezien. Maar ik heb er niet nadrukkelijk naar gezocht, en dat zou ook weinig zin gehad hebben. In hun tijd bestond het verschijnsel "landschap' nog nauwelijks, het was niet iets om speciaal aandacht aan te geven. Van Lennep prijst een allee omdat de grote bomen zo'n prettige schaduw geven, hij meldt dat alles "mooi in bloei staat' maar wat er precies in bloei staat, weet hij niet, en als ze door een woest gebied lopen, heeft hij het voornamelijk over de prijzen van aardappelen en de mogelijkheden om het in cultuur te brengen. De aandacht voor de natuur komt pas honderd jaar later, bij de Verkade-albums.

xp""Voordat ik wegging, zeiden vrienden dat je nergens meer door Nederland kunt lopen zonder het geluid van auto's of machines te horen. Dat is niet waar. Ik heb goede oren, en vaak viel het me op dat ik pas dicht bij een snelweg het verkeer begon te horen. De steden breiden zich razendsnel uit, we vreten onze ruimte op, maar toch kan het nog flink stil zijn in Nederland, en lekker ruiken. Je kunt hier en daar nog steeds uren lopen zonder een mens tegen te komen. En je ziet opeens ook waarom de Hollandse schilders vroeger schilderden zoals ze schilderden. Nederland is licht, wolken, je loopt gewoon door onze schilderkunst heen, nog altijd. Voortdurend voel je aan dit land dat de zee dichtbij is. En die zee houdt pas op waar de heuvels beginnen, en dat is heel ver weg.'