Het echtpaar X in LOA-analyse (1)

Mevrouw en meneer X, beiden in loondienst, maken zich zorgen over de toekomst. Hoe zal die er uitzien na hun pensionering, bij overlijden of tijdens arbeidsongeschiktheid? De feiten van het fictieve echtpaar X op een rij.

Meneer (42) is hertrouwd na een scheiding, verdient 90 duizend gulden en rijdt in een auto (35.000 gulden) van de zaak. Zijn twee kinderen (13 en 10) wonen bij hem. Mevrouw (36) werkt als parttime directie-secretaresse voor 30 duizend per jaar.

Het echtpaar woont in een eigen huis met een hypotheek van 250 duizend gulden die wordt afgelost met de slotuitkering van een levensverzekering tegen een premie van 4.100 gulden, die niet betaald hoeft te worden tijdens arbeidsongeschiktheid (ao) van meneer. De rente per jaar (aftrekbaar) bedraagt 22.500 gulden.

Onder druk van de verhalen op kantoor en wervende advertenties sloot X eind 1989 een kapitaalverzekering voor een lijfrente: jaarpremie 7.500 gulden, inclusief ao-premievrijstelling, en belastingbesparing 3.750. Ingangsdatum: 60ste verjaardag.

Verder hebben de X'en 25 duizend gulden op een spaarrekening en sparen ze iedere maand 200 gulden voor de kinderen.

Deze opsomming is voorgelegd aan de Bredase pensioenconsulent en financiële planner R. Goedhart met het verzoek na te gaan of het echtpaar zich terecht zorgen maakt. Goedhart werkt voor deze situaties volgens zijn LOA-methode: inkomsten en uitgaven worden verdeeld in de stromen leven (L), overlijden (O) en arbeidsongeschiktheid (A). Je berekent dus de gevolgen van het (te plannen) gewenste doel: stoppen met werken en dan de twee onvoorspelbare risico's overlijden en arbeidsongeschiktheid.

Eerst laat hij cliënten kiezen tussen: streven naar een netto inkomen en rekening houden met allerlei huidige en toekomstige fiscale en sociale heffingen òf uitgaan van het huidige bruto inkomen en alles omrekenen naar bruto bedragen. In dit geval X voelt hij voor de bruto-aanpak, omdat het Leven-deel pas over bijna twintig jaar ingaat en er tot dan veel zal veranderen. De bekende gegevens dienen als uitgangspunt, tot er werkelijk iets verandert. Dus geen overwegingen als: stel dat ik over 5 jaar van baan verander, maar ik weet niet welke en tegen welk salaris. Of: stel dat er straks geen AOW meer bestaat. Mocht het zover komen, dan gaan meneer en mevrouw weer op de bank.

Hoe ziet het L-traject eruit? Het paar wil stoppen met werken als meneer 60 is. Zijn pensioen, waarvoor een eigen bijdrage van 5.200 gulden per jaar geldt, gaat in op 65-jaar. Mevrouw zit niet in een bedrijfsregeling, omdat ze parttime werkt. Dit is strijdig met het reglement (toevallig ingezien!) waaruit blijkt dat het bedrijf voor alle werknemers pensioen opbouwt. De consulent wil samen met haar deze discriminatie opheffen.

De hypotheek wordt afgelost als X 61 jaar is. Van 60 tot 65 wil hij 100 procent van zijn bruto inkomen, na aftrek van de naar bruto omgerekende vaste lasten, als inkomen. Na 65 jaar 90 procent, vanwege de lager belastingheffing. Hoe vertaal je die wensen in harde cijfers?

Hun inkomen bedraagt 120 duizend gulden bruto, zie inleiding artikel. Na de pensionering vallen weg: hypotheekrente en de premie voor de verzekering, premie kapitaalverzekering voor lijfrente, IB-bijtelling auto van de zaak en pensioenbijdrage. Samen 50.400 gulden. Daarmee komt het gewenst inkomen uit op afgerond 70 duizend gulden (120 min 50) en na 65-jaar op 63 duizend; 90 procent van 70.

Tussen 60 en 65 jaar komt die 70 mille uit de verzekering. Die garandeert 192 duizend bij leven op 60 jaar of bij overlijden vóór die dag. Maakt de verzekeraar een gemiddeld rendement van 12 procent per jaar, dan bedraagt de uitkering zelfs 560.000. De realistische planner gaat uit van gemiddeld 7 procent en een uitkering van 285 duizend gulden. Met dat bedrag gaat de verzekerde te zijner tijd winkelen bij verzekeraars om de hoogste lijfrente, een combinatie van een tijdelijke tot 65 jaar en een doorlopende tot overlijden.

Vanaf 65 jaar komt er 25 duizend AOW bij en het van 33.190 tot 27.500 gereduceerde (5 jaar eerder gestopt met premiebetaling) ouderdomspensioen. Dan resulteert er een tekort van 10.500 gulden, welke gedekt wordt door de een doorlopende lijfrente.

Voor dit traject geeft Goedhart de raad om het kapitaal uit de lijfrenteverzekering op te trekken door de overdreven overlijdensdekking (192.000 gulden) te beperken tot "bij overlijden wordt de som van de betaalde premies terugbetaald'. Zodoende is er meer premie beschikbaar voor de uitkering op 60 jaar. Het verwachte kapitaal bij 7 procent ligt dan op 350 duizend en bij 12 procent zelfs op 690 duizend. Zo kweek je ook nog wat extra om de gevolgen van inflatie op te vangen.

Meneer moet zelf in de gaten wanneer zijn salaris de ton overschrijdt, want over het meerdere krijgt hij geen pensioen, staat in het geldende reglement. Tot zover de L-analyse.

(wordt vervolgd)

    • Adriaan Hiele