Elçibey beet zijn tanden stuk op de erfenis van de Sovjets

MOSKOU, 19 JUNI. Het nieuwe nationaal-democratische elan heeft in Azerbajdzjan een jaar en tien dagen geduurd. Zo eervol als Abulfaz Elçibey op 8 juni 1992 als eerste president van Azerbajdzjan werd gekozen, zo roemloos is hij gisteren vertrokken. De voormalige dissident Elçibey dacht een einde te kunnen gaan maken aan driekwart eeuw corrupt clan-communisme. Het is cynisch dat juist de exponent van het oude bestel, de voormalige KGB'er Geidar Alijev, hem nu binnen een week van het toneel heeft verwijderd. De gevangene verliest opnieuw van zijn cipier.

Net als elders in de oude Sovjet Unie, waren ook in Azerbajdzjan de verwachtingen in 1992 te hoog gespannen. Elçibey gaf daar zelf voedsel aan. Na de mislukte coup van augustus 1991 en de ontmanteling van het Sovjet-rijk presenteerde de leider van het Volksfront zichzelf als degene die alles tegelijkertijd zou doen. De islam zou herleven, naar Turks model. De corruptie zou verdwijnen. En de oorlog met Armenië om de enclave Nagorny Karabach zou in enkele weken worden gewonnen.

Geen van deze doelstellingen wist hij ook maar bij benadering te realiseren. De hoop die hij had gevestigd op Turkije bleek een illusie. Ankara keek vooral de kat uit de boom. De economie was altijd gebaseerd op smeergeld. Voor een stabiele basis om die te moderniseren was geen geld. Want ook de Russen stonden niet te springen om Elçibey bij te staan, want die liet er geen misverstand over bestaan dat zijn land nooit meer deel zou uitmaken van welk Russisch imperium dan ook, maar met haar olieindustrie wilde concurreren op de wereldmarkt.

Deze mislukkingen hadden vooral te maken met het derde debaâcle: de oorlog. Tegen de offensieven van de christelijke "zelfverdedigings-eenheden' uit Karabach had het Azerbajdzjaanse leger niets in te brengen. Elçibey hoopte dit voorjaar het tij te keren. Hij ontsloeg zijn minister van defensie, Rachim Gazijev, en diens commandant in Karabach, Suret Hoesseinov. Die laatste, 33 jaar oud, is de 55-jarige intellectueel-in-de-politiek noodlottig geworden.

Toen Hoesseinov een week geleden in Gadzja aan het muiten sloeg, dacht Elçibey hem aanvankelijk gewapenderhand te kunnen terug slaan. Het liep anders. Hoesseinov nam Gadzja in en eiste het aftreden van Elçibey. Ten einde raad riep de president, die zich al die dagen niet aan het volk liet zien, Geidar Alijev te hulp. Of hij premier wilde worden? Nee! Alijev nam alleen genoegen met het voorzitterschap van het parlement. Hij kreeg het. Maar Hoesseinov en zijn mannen liepen ondertussen door richting Bakoe en waren eergisteren tot op 75 kilometer genaderd. Dat was het signaal voor Elçibey om te vluchten, naar zijn geboortestreek in de enclave Nachitsjevan.

Sinds de val van de Sovjet-Unie heeft al een hele reeks nieuwe leiders het veld moeten ruimen en plaats moeten maken voor ex-communisten, zoals in Litouwen, Georgië en Tadzjikistan. Bijna alle niet-communistische nationalisten die sinds 1991 aan de macht zijn gekomen, hadden zelf, als hele of halve dissidenten, geen bestuurlijke ervaring. Ze wisten vooral hoe je barricades moest bouwen. Hun nationalistische achtergrond en de hete adem van radicalere geestverwanten gebood hen dapper te zijn tegen het grote Rusland. Maar uiteindelijk moesten ze accepteren dat 75 jaar Sovjet-Unie en eeuwen Russisch imperium zich niet in één jaar ongedaan laten maken.