Dodenmars naar voedselhulp Zuid-Soedan; "Hongerdriehoek' is toneel van tribale moordpartijen

AYOD, 19 JUNI. De stoffige landingsbaan die dwars door het Zuidsoedanese dorp Ayod loopt, ligt bezaaid met grote kogelhulzen. De rebellen hebben na de gevechten van de afgelopen weken tegen andere rebellen hun doden in anonieme massagraven naast de landingsbaan begraven. Verderop, in het hoge olifantsgras, liggen de stoffelijke resten van enkele vergeten slachtoffers van de moordpartij die hier onder de Nuer-bevolking is aangericht. Duizenden vliegen doen zich tegoed aan de verminkte lijken die al in vergaande staat van ontbinding verkeren.

In het dorp zelf staan alleen nog enkele zwart geblakerde muurtjes overeind en verkoolde paaltjes die aangeven waar de uit gedroogd gras vervaardigde ronde hutten, tukuls, hebben gestaan: ze vormen honderden magische, zwarte kringen. Boven het verschroeide dorp hangt een lugubere stilte.

Ayod werd door de in hoofdzaak uit het Dinka-volk gerecruteerde troepen van John Garang bij verrassing aangevallen. De guerrillastrijders van Riek Machar werden door de beter uitgeruste Dinka's snel onder de voet gelopen, maar Garangs troepen zijn inmiddels weer uit Ayod verdwenen.

De streek rond Ayod, Kongor en Waat, in de Zuidsoedanese Opper-Nijlprovincie, staat bekend als de hongerdriehoek en vormt al weken het toneel van zware gevechten tussen de rivaliserende facties van het Zuidsoedanese Volksbevrijdingsleger, het SPLA.

Officieel streeft SPLA-leider Garang naar autonomie voor het zwarte, christelijk/animistische zuiden van Soedan binnen een confederaal model, terwijl een verenigd front van SPLA-commandanten die zich tegen de autoritaire Garang keerden en sinds enkele maanden SPLA-United vormen, onder leiding van Riek Machar vecht voor algehele afscheiding van het Arabische, islamitische noorden. Maar de gevechten tussen de rebellen onderling ontaarden steeds meer in tribale moordpartijen en wraakacties. De Soedanese regering van generaal Omar al-Bechir in Khartoum, die beheerst wordt door de fundamentalisten van het Nationaal Islamitisch Front, speelt intussen beide facties handig tegen elkaar uit.

De recente gevechten brengen operatie "Levenslijn-Soedan' - een samenwerkingsverband van het VN-kinderfonds UNICEF, het VN-voedselprogramma WFP en een reeks non-gouvernementele organisaties - ernstig in het gedrang.Voorlopig worden er naar Kongor, Ayod en andere plaatsen in de hongerdriehoek in het beste geval een tweetal vluchten per dag uitgevoerd om de meest schrijnende hongersnood te lenigen. VN-Hulpverleners mogen niet ter plaatse blijven.

Intussen verslechtert de toestand. Het leeuwedeel van de voedselhulp komt in handen van de strijders en alles wat de hulporganisaties de afgelopen maanden voor de bevolking in Zuid-Soedan hebben opgebouwd wordt door de onderling vechtende opstandelingen met de grond gelijkgemaakt.

Sommige hulporganisaties, zoals het Ierse GOAL, charteren hun eigen transportvliegtuigen om, onafhankelijk van de VN, voedsel, kleren en andere hulp naar Kongor en Ayod te vliegen. Zij organiseren er nu ook de voedseldistributie ter plaatse en blijven, in weerwil van de raadgevingen van de VN-leiding in Nairobi, in de hongerdriehoek overnachten.

“Ik ben zeker niet naar Soedan gekomen om weken te zitten niksen”, oppert de 50-jarige dokter Bernard van Médecins du Monde (MDM). Hij had in Ayod een veldhospitaal opgericht maar is daar tijdens de bestorming hals over kop uit gevlucht. Nu is ook dat ziekenhuis vernield. MDM moest bij de evacuatie alle geneesmiddelen en materieel achterlaten en zelfs dokter Bernards persoonlijke bezittingen gingen in vlammen op. Maar hij is er de man niet naar om zomaar bij de pakken neer te zitten: “Wij willen zo snel mogelijk terug het terrein op. De slachtoffers van Ayod hebben onze hulp nu nog harder nodig. Dit is een land in oorlog en je loopt dus als hulpverlener risico's, maar dat geldt zeker ook voor de onschuldige Soedanese burgers die nu zomaar aan hun lot worden overgelaten.”

Het is hier bloedheet, rond de middag makkelijk 45 graden, het droge seizoen loopt op zijn eind en de aarde snakt naar water, maar de hitte en de ontelbare, nooit aflatende vliegen lijken de Nuer-vluchtelingen die naar Ayod terugkeren niet te deren. Gelaten komen zij in lange rijen vanuit het hoge gras tevoorschijn als in een dodenmars: lange graatmagere silhouetten die zich met trage, apathische bewegingen voortslepen en alle zichtbare tekenen van ondervoeding en totale uitputting vertonen. Al wat ze nog bezitten dragen ze op het hoofd en ze gaan in grote groepen bijeen onder de bomen langs de landingsbaan zitten.

Simon Maker is twintig jaar oud en draagt een groot zelfgemaakt ijzeren kruisbeeld op zijn borst. Hij rookt een pijp die hij doorgeeft aan zijn vrouw, terwijl hij geduldig met zijn familie in de schaduw van een boom op de komende voedseldistributie zit te wachten.

Simon vertelt me hoe de Dinka's alle Nuers die ze in het dorp aantroffen, vermoordden. “We zagen, terwijl we steeds verder de bush invluchtten, de vuurtongen de hemel inschieten, de Dinka's staken al onze tukuls in brand, we stopten telkens weer om achteruit te kijken en tot laat in de nacht zagen we de rode gloed in de verte.”

Volgens Simon Maker werden Rieks troepen net zoals de bevolking totaal verrast door de aanval. “Bij de eerste schoten vluchtten mijn familie en alle leden van de parochie in paniek weg; het was meteen duidelijk dat onze troepen onder de voet zouden worden gelopen en dat we niet op hun hulp hoefden te rekenen.” Drie weken lang konden ze alleen gras en wilde vruchten te eten vinden. “Veel kinderen en bejaarden zijn van honger en ontbering omgekomen. Sommigen, die achteropraakten en niet meer verder konden, zijn door hyena's en andere wilde dieren aangevallen en verscheurd.”

In Panjagor, vlakbij Kongor, zijn Garangs troepen ingekwartierd in een dorp dat is opgetrokken voor de arbeiders die ingezet waren bij het graven van het Jonglei-kanaal. Deze reusachtige onderneming had ten doel het water van de Nijl dat in het regenseizoen in de Sudd - het grootste moeras ter wereld - terechtkomt rechtstreeks naar het noorden en dus naar de hoofdstad Khartoum af te leiden. Maar aan dit project kwam in 1983 een einde. Volgens het Zuidsoedanese verzet vormde het kanaal een bedreiging voor het zuiden en de enorme graafmachine werd gesaboteerd.

Commandant Kuol Manjang, de beruchte bevelhebber van Garangs leger, wordt omringd door tien zwaar bewapende lijfwachten. De reusachtige Manjang leidt een goed-georganiseerd leger: heel wat anders dan de naakte of in lompen gehulde manschappen die je overal in het zuiden ziet rondhangen. Manjang, ook wel bekend als de beul, voerde het bevel over het gebied waar vorig jaar drie hulpfunctionarissen en een journalist werden vermoord. Nadat hun hoofd was kaalgeschoren werden ze met een nekschot afgemaakt. Voor de meeste hulpverleners is Manjang de verpersoonlijking van het gevaar dat met het werken in dit onvoorspelbare oorlogsgebied gepaard gaat.

“De VN weten niet wat er met de hulp gebeurt”, zegt hij. “Riek kwam naar hier in de naam van het volk, zogenaamd om hen te helpen, maar hij mobiliseerde het Nuer-volk met de steun van de regering en viel vervolgens de bevolking van Kongor aan, hij roofde hun vee en vernielde hun economie en dan kwam hij zich hier installeren en vroeg de VN om de bevolking voedsel te brengen. Dat gebeurde, maar al die hulp ging achter de rug van de VN om naar zijn troepen. Maar de mensen hier hebben dat wel opgemerkt, want zij bleven al die tijd van voedsel verstoken. Hij is een verrader en ik kan onder die omstandigheden de veiligheid van de VN-vliegtuigen en de hulpverleners onmogelijk verzekeren.”

Wegens de onveilige situatie heeft niemand echt zicht op wat er zich in Kongor en omgeving en in de verder afgelegen dorpen precies afspeelt. Het hoofd van de VN-operatie in Zuid-Soedan, Philip O'Brien, denkt dat er zich 160.000 à 170.000 sterk ondervoede mensen bevinden die dringend voedsel en andere humanitaire hulp nodig hebben, terwijl hij op basis van ramingen van lokale hulpverleners en stamhoofden schat dat er in heel Zuid-Soedan ten minste een half miljoen mensen op externe hulpverlening is aangewezen.

Van de infrastructuur en de ontwikkelingsprojecten is niets meer over. In Zuid-Soedan zijn geen wegen, geen wagens of andere transportmiddelen en stroom, schoon drinkwater en riolering zijn hier totaal onbekend. In dit al sinds de kolonisatie achtergestelde deel van Soedan word je nooit met geld geconfronteerd en ten gevolge van de oorlog is er ook in de meeste regio's van ruilhandel geen sprake meer. De veestapel van de Nuer en de Dinka's die de ruggegraat van de economie vormde is door ziekte en veediefstal gedecimeerd en de landbouw is totaal verwaarloosd.

Elke misoogst leidt tot massale hongersnood en de ondervoede en opgejaagde bevolking valt ten prooi aan epidemieën van hersenvliesontsteking, malaria, tbc en kala azar. Aan die laatste ziekte, die het afweermechanisme aantast, zijn volgens de Wereld Gezondheids Organisatie al zeker 60.000 mensen gestorven en zij bedreigt nu de gehele bevolking.

In Akon, een dorp in het noordoosten van de provincie Bahr al-Ghazal, is het al geruime tijd rustig. Maar de Dinka-bevolking kan ook hier alleen maar overleven, zolang de hulpverleningsprogramma's niet verstoord worden. In het voedingscentrum van Akon zijn heel wat sterk ondervoede mensen die vanuit de meest afgelegen streken te voet hierheen komen om aan de hongerdood te ontsnappen. Dagelijks dienen er zich duizenden mensen aan bij de voedseluitdeling, onder wie ook gegadigden die hulp eigenlijk niet echt nodig hebben. Zo gauw er opnieuw een vliegtuig landt trekken telkens weer nieuwe mensen op naar de landingsbaan. Zo creëert men grote concentraties van ondervoede, totaal van hulp afhankelijke mensen. Bij de VN beseft men dat dit systeem van voedseldistributie uiteindelijk de traditionele economie ontwricht en dat de concentratie van duizenden mensen rond een landingsbaan ook militair gevaar inhoudt. Maar wegens het ontbreken van bruikbare wegen en de nodige vervoermiddelen, is het onmogelijk om de voedseldistributie te decentraliseren.

Ook Bahr al-Ghazal wordt sterk door de nu al tien jaar aanslepende burgeroorlog geteisterd, maar het leeuwedeel van de bevolking weet de oorlog nog altijd te overleven. Volgens Philip Winter die aan het hoofd staat van de hulporganisatie Save the Children en die voor de oorlog jarenlang in Zuid-Soedan heeft gewoond, overleven de Dinka's en de Nuer traditioneel de periode tussen het einde van het droge seizoen en de eerste oogst in oktober met het eten van wilde vruchten. Maar één ding staat ook volgens hem vast: honderdduizenden zijn hier op de vlucht door de oorlog, en zijn daarbij al hun koeien en vis- en landbouwmaterieel kwijtgeraakt. Voor hen kan alleen nog voedselhulp redding brengen.

    • Wilfried Bossier