DE WORDING VAN FAROEK (1)

Faroek heeft het maar drie maanden volgehouden op de kappersvakschool. Men kon hem daar niets leren, vond hij. Zijn overgrootvader was al barbier, op de plantages van Suriname waar de Indiërs als contractarbeiders werkten. Zijn grootvader werkte ook als barbier, en daarna zijn vader en al zijn ooms. Een heel geslacht van barbiers die hun vakkennis generatie op generatie hebben overgedragen. Eén ding heeft Faroek wel geleerd, in die drie maanden. Hij vraagt aan iedere klant hoe hij het haar had willen hebben. Om het vervolgens te knippen op de enige manier die hij kent, de manier van zijn overgrootvader, zijn grootvader, zijn vader en al zijn ooms.

Faroek was zeventien toen hij midden jaren zeventig met zijn familie naar Nederland kwam. In Suriname had zijn vader een eigen zaak, net als zijn ooms. Maar zijn ooms waren ijverig. Ze gebruikten elektrische tondeuses en haardrogers, en de meest ambitieuze oom had airconditioning in zijn zaak, een stoel die met een trapper omhoog ging en een prijslijst.

Dat vond Faroeks vader het toppunt van aanstellerij. Hij was tevreden met zijn eenvoudige barak van vier bij vier meter, met een zinken dak en een gammele deur. Aan één kant stond een houten bankje, voor als er klanten waren die op hun beurt moesten wachten. Maar zoveel klanten had hij niet, dus gebruikte hij de bank om er zijn middagdutje op te doen. Aan de andere kant stond een grote oude spiegel, met vlak daarvoor een mahoniehouten stoel met een kussen. Dat kussen keerde hij iedere keer om, als de volgende klant aan de beurt was. Dat was de gewoonte in Suriname, omdat men dacht dat de kwalijke eigenschappen van iemand je lichaam konden binnendringen als je direct ging zitten op een plek die nog warm was van het lichaam van de ander.

Hij hoefde niet rijk te worden, zei Faroeks vader altijd, als zijn kinderen maar genoeg te eten hadden. Maar toen hij de verhalen hoorde over het dreigende bloedbad na de onafhankelijkheid, en dat er op school alleen nog neger-Engels zou worden gesproken en hij misschien gedwongen zou worden om ook kroes haar te knippen, leende hij geld bij zijn broers en verhuisde met zijn familie naar Nederland.

Hier in Nederland heeft Faroek ook een eigen kapperszaak. Maar het is geen geweldige vooruitgang ten opzichte van het snikhete hokje van zijn vader in Suriname. Faroek heeft zijn bedrijf namelijk gevestigd in het berghok van zijn flat in de Bijlmer. In plaats van snikheet is het er ijskoud. Hij denkt er iedere keer over om een elektrische kachel te kopen, maar voor hij het besluit heeft genomen is het al weer lente. Tegen een muur van het berghok heeft hij een bankje geplaatst, waar de klanten op kunnen zitten. Hij keert na iedere klant het kussen van zijn kappersstoel om, en knipt. Het enige verschil tussen Faroek en zijn vader is dat Faroek nog even vraagt hoe je het haar zou willen hebben. Om het vervolgens te knippen zoals hij het al van plan was.

Faroek rijdt in een tweedehands auto, een Toyota Corolla uit 1984, die hij heeft gekocht bij een Surinaamse vriend. Als de auto gerepareerd moet worden, gaat hij naar een andere Surinaamse vriend, die monteur is en een soort eenmanszaakje heeft ingericht in een van de parkeergarages van de Bijlmer. Als Faroek zich slecht voelt gaat hij naar een dokter. Die dokter is een Surinamer, die begrijpt dat Faroek alleen tevreden is als hij een flinke pot medicijnen meekrijgt. Faroek houdt niet van artsen die zeggen dat het een onbekend virus is en dat het vanzelf wel overgaat.

Als Faroek groenten nodig heeft gaat hij naar een tropische zaak waar ze bladgroenten verkopen die onder zonlicht zijn gegroeid. Kasgroenten hebben geen vitaminen, weet hij. Als Faroek vlees nodig heeft gaat hij naar een bevriende slager die zijn schapen en runderen ritueel slacht. Als Faroek zich wil vermaken haalt hij een Indiase film uit een hindoestaanse videotheek, als hij uit wil gaat hij naar een Surinaams huwelijksfeest, als hij het nieuws wil bijhouden koopt hij de Weekkrant Suriname, als hij geestelijke rust nodig heeft gaat hij naar een Surinaamse priester, een Molvi in zijn geval, want Faroek is moslim.

Faroek woont dus wel op Nederlands grondgebied, maar niet in de Nederlandse samenleving. De Nederlandse samenleving kent hem niet eens, behalve als vermelding in het bevolkingsregister. Een sofi-nummer heeft hij nooit gehad. Faroek heeft geen mening over Nederland. Hij kijkt weleens naar de spelletjes op RTL-4 en hij groet zijn Hollandse buurman beleefd, maar meer contact heeft hij niet. Meer contact wil hij niet. Ieder contact met Nederland ervaart hij als een offer, een noodzakelijk offer dat zo klein mogelijk moet worden gehouden. Hij heeft nooit kunnen genieten van het land waarin hij als zeventienjarige jongen terecht kwam en hij heeft er ook nooit belangstelling voor gehad.

Faroek is de meest angstaanjagende soort allochtoon die er bestaat. De meest onaangepaste en ongentegreerde soort. Maar zoals Faroek geen last heeft van Nederland, heeft Nederland geen last van Faroek. Ze laten elkaar met rust.

Toch is er iets aan het veranderen. Als barbier is Faroek betrokken bij het ritueel van het scheren van het eerste hoofdhaar van baby's. Dat doet hij al jaren, voor alle hindoestaanse kindjes, of ze nu hindoes of moslims zijn. Het afgeschoren haar wordt in een lapje deeg gewikkeld en tot een propje gekneed. De bedoeling is dat dit propje na een kort gebed in stromend water wordt gegooid. Het propje stroomt dan mee naar het heilige water dat in India ontspringt, in de Ganges.

Nu kwam laatst een Marokkaanse man bij Faroek met het verzoek of hij ook zijn zoontje van twee weken wilde scheren. Maar Marokkanen doen er nog iets bij: na het scheren van de tere hoofdhuid dient de barbier een klein sneetje aan te brengen in de nek, waardoor enkele druppels van het slechte bloed wegstromen en het kind wordt gevrijwaard van het kwaad.

Faroek vond het doodeng en weigerde het, waarop de Marokkaanse man hem toesnauwde dat hij geen goede moslim was. Surinaamse moslims zouden volgens de Marokkaan zijn benvloed door de hindoes. Echte moslims maken een snee in de nek en ze gooien het deegpropje niet in water, zoals hindoes, maar begraven het in de grond.

Faroek was helemaal van streek. Hij, geen goede moslim? Een tijd lang zocht hij hulp bij zijn klanten: hij ging wekelijks naar de moskee, vastte tijdens de ramadan, leefde zo rein mogelijk, eerbiedigde de meeste regels, dronk geen drup alcohol en at geen varkensvlees; hoe kon iemand zeggen dat hij geen goede moslim was? De meeste van zijn klanten vonden inderdaad dat hij een betere moslim was dan barbier, maar hun geruststelling kon hem niet kalmeren. Faroek werd onrustig, hij begon lastige vragen te stellen aan de Molvi's die hij regelmatig knipte, maar hun reacties waren ontwijkend: er zouden geen verschillen zijn tussen moslims, de "oemma', de gemeenschap van gelovigen, is een harmonische eenheid. Maar de simpele vraag waarom Surinaamse moslims geen snee maakten in het babynekje en Marokkanen wel, konden ze niet beantwoorden.

Dus nam Faroek een besluit, een groot besluit, voor zijn doen. Hij bracht een bezoek aan een Marokkaanse moskee. Hij sprak met de moskeebezoekers over hoe zij leefden en wat zij geloofden, en ontdekte dat Marokkanen strenger waren tegenover vrouwen en fanatieker stonden tegenover bloed. Ze kookten anders, ze wasten zich anders, ze gingen anders met elkaar om. Het waren vreemdelingen eigenlijk, en toch geloofsgenoten. Dat vond Faroek een spannende gewaarwording: dat hij tegelijkertijd insider en outsider was. Faroek was gefascineerd geraakt door een andere cultuur, hij begon een ontdekkingsreis. Hij begon langzaam te migreren.