DE STILLE TELOORGANG VAN STINZEN EN GRIETENIJEN

Adel in Friesland 1780-1880 door Yme Kuiper 576 blz., gell., Wolters-Noordhoff/ Egbert Forsten 1993, f 125,-- ISBN 90 6243 130 5

Kort geleden promoveerde Yme Kuiper aan de Universiteit van Groningen op Adel in Friesland 1780-1880. Tijdens de promotie stelde een gedistingeerde heer die behoorde tot de nazaten van de onderzochte groep in de volle aula de eerste vraag. Wat dacht de promovendus van het volgende vraagstuk? Hij had in zijn onderzoek aangetoond dat de Friese adel voortdurend een uitgesproken voorkeur had gehad voor een huwelijk met een standsgenoot en hij had laten zien hoe daarom - en omdat geen nieuwe adel gecreëerd werd - de Friese adel steeds kleiner in aantal was geworden. Nu levert voortplanting binnen een kleine populatie een geneeskundig dan wel veterinair probleem op - de vragensteller verwees naar het Friese raspaard waarvan hij het een en ander wist. Was de promovendus tijdens zijn onderzoek misschien gestuit op met inteelt verbonden problemen?

De vraag was pikant gezien de persoon die het probleem aan de promovendus voorlegde. Een antwoord had de promovendus eigenlijk niet. Hij was antropoloog en historicus en had zich met de geneeskundige kant van de zaak niet beziggehouden. Dat geslachten uitstierven, of ze nu adellijk waren of niet, was bovendien een natuurlijke zaak. Maar de vraag gaf hem wel aanleiding nog eens in te gaan op de gegevens die de basis vormden van zijn onderzoek.

Omstreeks 1500 had de Friese adel meer dan 1000 personen omvat. Bij een groeiende bevolking waren dat er in 1750 nog circa 250 en, ondanks de verheffing in de adelstand van een reeks van families onder Willem I, aan het eind van de negentiende eeuw toch nauwelijks meer dan 150. Tussen 1700 en 1900 werden bijna honderd adellijke stinzen en states afgebroken. Hoofdstuk één van Kuipers boek beschrijft de opheffing van de Friese Ridderschap wegens gebrek aan belangstelling en leden, en het boek eindigt met een foto van een mistig adellijk privé-kerkhof, gelegen op de plaats waar eens een state stond. Het verhaal van de Friese adel is er een over een uitstervend ras.

Van de neergang van de Friese adel doet het boek niet alleen zeer helder maar ook nuchter verslag. Nostalgie treft de lezer niet aan, evenmin overigens als uitgesproken kritiek. Onverstoorbaar maar welgemoed registreert de auteur de wederwaardigheden van de groep die hij onderzocht. De schrijver heeft geruime tijd gewerkt aan zijn boek maar het verschijnt nu op een goed moment. Terwijl de aandacht van historici tot voor kort vaak gericht was op de vernieuwing en modernisering in de negentiende eeuw - kortom op wat vooruitwees naar onze eeuw - is er de laatste tijd meer interesse voor de traditionele elementen van de periode. De negentiende eeuw is oud geworden; veel eruit is voltooid verleden tijd. Wie geen perspectief van "rise and progress' maar van "decline and fall' wil kiezen, kan bij de adel terecht.

VERSNIPPERING

Op demografisch gebied werd de Friese adel voortdurend bedreigd door twee gevaren. Aangezien er geen eerstgeboorterecht bestond, kon een grote hoeveelheid kinderen leiden tot versnippering van de adellijke erfenis en een val uit de financiële elite. Omgekeerd waren ook voor de adel de medische voorzieningen tot in de negentiende eeuw nog zo slecht, dat zelfs een uitgebreide kinderschaar geen garantie bood voor voortzetting van de stamboom - het vroegtijdig overlijden van vier, vijf kinderen was geen uitzondering.

Tegen de dood was geen kruid gewassen, tegen de versnippering van het familiebezit kon men proberen iets te ondernemen. Het voornaamste middel was de instelling van een "fide-commis', een testamentaire beschikking die de erfgenaam verplichtte (een groot deel van) het bezit bijeen te houden en ongeschonden door te geven. Voor 1800 werd een dergelijke beschikking nogal eens getroffen om de politieke positie van een geslacht te waarborgen. Formeel bestond er toen namelijk in Friesland een vorm van medezeggenschap via stemrecht dat niet aan personen maar aan grond gebonden was. Door een concentratie van stemrechtgevend grondbezit, wisten vele adellijke families de post van "grietman' - Fries burgemeester - in hun grietenij aan zich te trekken. De combinatie van bezit, bestuur en aanzien verschafte hun dan een vrijwel onaantastbare positie.

De Bataafse en Franse tijd veranderde het een en ander. Bij de komst van de Napoleontische legers in 1795 verliet een enkele "aristocraat en burgerhaater' het land, maar niet alleen uit verzet tegen de Fransen, ook wel uit vrees voor zijn schuldeisers. Min of meer professionele ambtenaren maakten even later hun opwachting in het bestuur en perkten het adellijke paternalisme in. En zelfs edellieden die zich heftig verzetten tegen het nieuwe bewind van ""usurpateurs en ontrouwe Regenten'', wezen de gang van zaken af met het argument dat hij ""strijdt met den algemeenen wil van het volk'', een wil waarvoor zij tot dan toe niet veel belangstelling hadden getoond.

Na de Franse tijd keerde onder Willem I het oude bestel niet terug. Friesland maakte nu deel uit van het koninkrijk en het bestuur werd meer en meer centraal geregeld. De adel behield voorlopig zijn dominante positie in de provincie, maar alleen door zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Zo moest hij zich de instelling van een nieuwerwetse Ridderschap laten welgevallen en werden nieuwe bestuurderen door de koning naar voren geschoven. In 1826 bijvoorbeeld werd de Utrechtenaar Van Zuylen van Nyevelt tot gouverneur van de provincie benoemd. Bij een conflict met de lokale adel ontving hij een boze brief van ""eenen Frieschen Edelman, die voor geene Utrechtsen Baron vervaard is''.

ADELLIJK ETHOS

De Ridderschap was ingesteld als stut voor het behoudende en halfconstitutionele systeem van Willem I, maar heeft nauwelijks gefunctioneerd als adellijke pressiegroep, niet vóór 1848 en al helemaal niet meer na de grondwetsherziening van dat jaar. In 1850 zag de vooraanstaande Jhr mr F. J. J. van Eysinga zichzelf weliswaar als deel van de "aristocratische partij' die boven de tegenstelling tussen conservatisme en liberalisme stond, doch dat was een typerende uiting van het paternalistische adellijke ethos. Tussen conservatief, confessioneel en gematigd liberaal bestond in adellijke kring echter weldra zoveel meningsverschil, dat van een eensgezinde aristocratische partij in het geheel geen sprake was. Van Eysinga zelf werd in 1880 gematigd liberaal voorzitter van de Eerste Kamer.

Kuiper benadrukt in zijn boek dat veel Friese edellieden tot de liberalen gingen behoren. Men moet zich dan echter wel realiseren dat het niet ging om een radicaal liberalisme. De adel bekeerde zich deels tot een vorm van voorzichtig liberalisme toen dat kon gelden als algemeen en onpartijdig: noch socialistisch, noch confessioneel, maar gouvernementeel - de partij van verantwoordelijk en min of meer paternalistisch bestuur.

Dat roept de vraag op in hoeverre de adel toen nog te onderscheiden was van de vaak liberale gegoede burgerij. Hoewel Kuiper zich deze vraag stelt, geeft Adel in Friesland geen nieuw perspectief op de eigenaardige Nederlandse verhouding tussen adel, regenten-patriciaat en burgerij. Kuiper begint zijn boek met uitgesponnen beschouwingen over binnen- en buitenlandse literatuur en over theorievorming, maar zijn kracht ligt in beschrijving, niet in theoretische analyse of internationale vergelijking. Veel onbekende of verspreide informatie heeft hij handzaam bijeengebracht in berekeningen en in een rustig verteld overzicht.

In de inleiding van dit met steun van dertien Friese en adellijke fondsen toepasselijk gellustreerde en fraai uitgegeven werk merkt Kuiper op dat hij een ""collectieve biografie'' heeft willen schrijven. Beschouwingen over de mentaliteit van de adel, die van een dergelijke biografie dunkt me toch de kern zouden moeten uitmaken, zijn evenwel tamelijk fragmentarisch. Over de adellijke huishouding vindt men slechts verspreide opmerkingen, over de rol van de tweede sekse idem dito, over de zieleroerselen van de groep iets meer, maar niet altijd pregnant en systematisch. Kuiper bekijkt de Friese samenleving vanuit de adel en dat is te verdedigen; zelfs als daarmee bijvoorbeeld aan de situatie van de pachtboeren niet altijd recht wordt gedaan. Onder meer door het overzichtskarakter en de stijl van het boek blijft de lezer echter toch enigszins van de buitenkant aankijken tegen de mensensoort die de antropoloog Kuiper heeft onderzocht.

LEISURE CLASS

Wie genteresseerd is in de verburgerlijking van de adel, vindt in dit werk dus geen nieuw perspectief, maar overigens wel het een en ander van zijn gading. De sociaal-economische en politieke veranderingen hadden hun invloed op de leefstijl van de Friese adel. Er bestonden geen formele onderscheidingen meer, politieke ambten kwamen niet meer vanzelf bij de adel terecht en in de loop van de negentiende eeuw nam het aantal adellijke burgemeesters sterk af. Om zich alsnog te onderscheiden en de tijd te doden, spreidde de adel meer dan vroeger het gedrag van een leisure class tentoon. Men ging de internationale mode volgen in meubels en kleding; de jacht, feesten maar ook rouw werden in eigen kring gecultiveerd en de afstand tot het dorp waarmee men oorspronkelijk een paternalistische relatie had onderhouden nam toe.

Dit gedrag stond echter niet in de weg van de vorming van een uit adel, patriciaat en gegoede burgerij bestaande notabelen-elite. Toen omstreeks 1800 het stemrecht werd losgemaakt van de grond, verloor het grondbezit zijn politieke gewicht. Daarmee was de weg vrij voor de negentiende-eeuwse toenadering tussen adel en burgerij. Expliciete standsprivileges verdwenen langzamerhand en opleiding en vermogen waren in het vervolg voorwaarden om een aanzienlijke politieke positie te bezetten. Meer edelen dan voorheen promoveerden in de rechten - en minder kozen er een militaire carrière - en door de getalsmatige afname van de adel kwamen de adellijke vermogens bij een voortdurend kleiner maar dus ook rijker wordende groep terecht. De economische positie van de overgebleven adel werd nog verder versterkt toen in de jaren 1850-1880 de grondprijzen stegen. Hoewel het obligaties- en effectenbezit aanzienlijk kon zijn, bleef grootgrondbezit de kern van hun rijkdom, ondanks het feit dat veel edellieden naar Leeuwarden trokken om daar vertier en bezigheden te zoeken. Opleiding, fortuin en sociaal prestige vond men ook bij de (stedelijke) gegoede burgerij en zo namen de contacten tussen adel en burgerij steeds meer toe.

Kuiper neemt 1880 als het eindpunt van zijn onderzoek. Op dat moment was de adel in Friesland, onder meer door vertrek Den Haag, definitief tot een klein groepje ineengeschrompeld en was het bondgenootschap met de gegoede burgerij bezegeld. Het lijkt of de adel daarmee aansluiting zocht bij de groep die de toekomst had. In politiek opzicht was dit een misrekening. Terwijl de Friese adel zijn heil zocht bij de vaak liberale gegoede burgerij, waren de confessionelen in opmars. De adel schurkte aan tegen een groep die tenminste in politiek opzicht over zijn hoogtepunt heen was. De adellijke klacht bij de opheffing van de Ridderschap in 1885 over ""een tijd als deze waarin stand en rang al meer en meer slenken door de opkomende massa's'', kon men toen ook beluisteren in de kringen van behoudende liberale burgers.

Als in de woorden van Kuiper de Friese adel tussen 1800 en 1900 ""zijn plaats vond binnen de burgerlijke cultuur'', dan was dit in ieder geval een burgerlijke cultuur in beweging. In de komende jaren zou de patricische burger met zijn minzame tolerantie en bezadigde levenshouding terrein verliezen aan de orthodoxe en fatsoenlijke kleine burgerij en later aan de in theorie anti-burgerlijke sociaal-democratie.

    • Henk te Velde