De speelman en zijn loon

Wat van een ander is, mag je niet pikken. Dat geldt voor fietsen en autoradio's, maar het geldt ook voor bepaalde vormen van "geestelijke eigendom'. Een waaiertje van wetten geeft daar regels voor. De (Rijks)octrooiwet doet dat voor uitvindingen, de Zaaizaad- en Plantgoedwet voor nieuwe planterassen en - we slaan wat wetgeving voor zeer specifieke detailgebieden over - de Auteurswet voor "werken' van letterkunde, wetenschap of kunst.

De huidige Auteurswet, oorspronkelijk ingevoerd in 1912, doet dat met ruime hand: "makers' van een breed scala van scheppend werk vinden er een plaats. Dat zijn natuurlijk de "traditionele' scheppende kunstenaars: schrijvers, schilders, beeldhouwers, componisten, maar ook fotografen en filmers, architecten, choreografen en pantomimemakers, ontwerpers van industriële vormgeving en makers van computer-software. Al deze leveranciers van originele scheppingen - uitingen die "het persoonlijk stempel van de maker dragen' - kunnen in beginsel tegen het "pikken' van hun werk in het geweer komen.

Ruimhartig als de Auteurswet is, één groep uit de kring van makers van kunst en cultuur heeft hij van begin af aan overgeslagen. Dat zijn de uitvoerende kunstenaars: degenen die niet zelf schrijven, componeren, choreografiën maken , maar die het door anderen geschrevene, gecomponeerde uitvoeren. Op het eerste gezicht is men misschien geneigd te denken: allicht. Uitvoerende kunstenaars - laten we ze hierna voor het gemak "artiesten' noemen - zijn toch geen "makers'. Eerder zijn zij namakers: mensen die andermans werk reproduceren.

En toch knaagt er iets. Hoe vaak maak je niet mee dat juist de vertolking van een werk je treft, ontroert (of juist ergert) door de "eigen' interpretatie van de artiest? "Muss i denn' werd in een uitvoering van Elvis Presley een wereldsucces; en zonder in debat te willen treden over de vraag of "Muss i denn' een prachtige melodie is, en of de vertolkingen van Elvis Presley nu zeer hoog gewaardeerd moeten worden of juist niet: het is toch duidelijk dat "Muss i denn' wanneer u of ik (nu vooruit dan: wanneer ik) dat uitgevoerd had(den), niet op zo'n groots onthaal had mogen rekenen.

Toch niet zo gek dus, dat het als onbevredigend werd gevoeld dat artiesten geen wettelijke rechten op hun vertolkingen kregen. En nu is daar dan in voorzien. Nadat de Hoge Raad al een aantal jaren geleden het zonder toestemming van een artiest maken van opnamen van zijn vertolkingen en verder verhandelen daarvan als een onrechtmatige daad had bestempeld, zal nu op 1 juli een nieuwe wet de rechten van artiesten nauwkeuriger en uitvoeriger regelen. Tegelijk zal die wet ook rechten aan producenten van beeld- en geluidsregistraties, en aan omroeporganisaties geven.

De nieuwe wet zal, naast wat de Hoge Raad al had bepaald, in elk geval deze nieuwigheid brengen, dat de artiest voortaan ook voor het openbaar vertonen of ten gehore brengen van zijn vertolkingen aanspraak op een vergoeding mag maken. Dus niet alleen het maken van opnamen en verkopen van kopieën daarvan valt nu onder zijn rechten - ook van het afspelen van een (volkomen legaal gemaakte en verkochte) grammofoonplaat, video of cd in discotheek, auditorium, supermarkt of stationshal, mag de artiest meeprofiteren. Datzelfde heeft voor de "makers' die onder de Auteurswet vallen altijd al gegolden. Zo baanbrekend is het dus niet; maar het is wel een wezenlijke stap, en een stap vooruit.

Zijn nu met de nieuwe wet alle problemen die de artiesten tot dusverre voor juristen opleverden, opgelost? Dat zou al te mooi zijn. De nieuwe wet laat bij voorbeeld ruimte voor twijfel over wie zich nu allemaal tot de artiesten mogen rekenen. Zo heeft de wetgever over mannequins en fotomodellen geen uitspraak willen doen - dat moest de rechter maar uitmaken. En verder laat de nieuwe wet de rechtspositie van belangrijke groepen buitenlandse artiesten ongeregeld (dat geldt bijvoorbeeld voor de meeste ongeautoriseerde ("bootleg') opnamen van Elvis Presley). Ook daarvoor heeft de wetgever de vingerwijzing gegeven, dat de rechtspraak maar oplossingen moest vinden.

Aan het eind van Prikkebeens avonturen lezen wij: “Speelman drinkt zijn glaasje bier; dees' historie eindigt hier.” Maar juridisch is de historie van de speelman bepaald nog niet afgelopen.