De overheid als droomfabriek

HET REUZENRAD VAN DE nationale subsidiemolen draait als een dolleman in het rond. Nagenoeg ongecontroleerd, zonder inzicht in de resultaten en vooral zonder samenhangende visie stroomt dit jaar 38,8 miljard gulden in 700 verschillende subsidieregelingen uit de schatkist. Rijp en groen, groot en klein, aandoenlijk en alarmerend deelt de Nederlandse overheid subsidies uit alsof Sinterklaas is verheven tot de hoogste vorm van beleid.

Het ministerie van financiën heeft met zijn onlangs gepubliceerde Subsidie-overzicht bij de rapportage gentegreerd subsidiebeleid waarin alle regelingen zijn opgenomen, onbedoeld een sociografie van Nederland samengesteld. Deze subsidiebijbel maakt inzichtelijk waar de nationale prioriteiten liggen en wat in Den Haag voor politiek correct doorgaat.

Soms gaat het om sympathieke gebaren, zoals de 5.000 gulden die beschikbaar zijn om redders van drenkelingen met een aandenken te belonen, of de 230.000 gulden voor de instandhouding van schaapskuddes met herders. Soms gaat het om ondersteuning van symbolen van de nationale identiteit, zoals 4,1 miljoen gulden ten behoeve van het Nationale Comité 4 en 5 mei, 3,6 miljoen voor de Oorlogsgravenstichting of 335.000 gulden voor een levendige functie van het Paleis op de Dam.

Dat zijn de krenten in een dikke pap vol stroperigheid. Het overgrote deel van de subsidies bestaat uit vormen van inkomenssteun of bijdragen aan de eigen achterban. Van de vijfentwintig omvangrijkste subsidieregelingen, uiteenlopend van 215 miljoen voor bodemsanering tot 4,3 miljard voor studiefinanciering, zijn er slechts drie rechtstreeks aan te merken als toekomstgerichte versterkingen van de nationale structuur: 808 miljoen voor verbetering van de infrastructuur voor het openbaar vervoer, 571 miljoen voor exportkredietverzekering en 412 miljoen voor wetenschappelijk onderzoek. De rest van de top-25 heeft betrekking op sociaal onderhoud, op overdrachtsuitgaven en vooral op subsidiëring van de woonlasten. VROM geeft bijna een derde van alle rijkssubsidies uit en besteedt een verbijsterende 78 procent van zijn begroting aan subsidieregelingen. Objectsubsidie, huursubsidie, stadsvernieuwing, premiekoopwoningen, verbetering huurwoningen: goedkoop wonen is nationale prioriteit nummer één. Grote subsidievreter is ook het openbaar vervoer: 3,8 miljard gulden voor goedkope strippenkaarten en spoorkaartjes.

MEER DAN HONDERD subsidieregelingen zijn beschikbaar bij Onderwijs en bij WVC. Voor potentiële belangstellenden betekent dat een doolhof van ambtelijke regels, van ondoorzichtigheid en vermoedelijke willekeur bij de toekenning van de subsidies. Meestal gaat het om kleine bedragen met een hoog ideologisch gehalte. De subsidiegever is aardig voor het milieu, voor minderheden en achterstandsgroepen. En vooral voor zijn eigen achterban. De scholierenstaking van vorige week werd georganiseerd door het Landelijk Aktiecomité Scholieren dat 260.000 gulden van Onderwijs ontvangt. Onderwijs, Sociale Zaken, Buitenlandse Zaken, Financiën en Verkeer & Waterstaat onderhouden hun eigen "onafhankelijke' onderzoeksinstituten die "beleidsondersteunend' werkzaam zijn.

De ambtelijke subsidiegevers hebben een aandoenlijk mensbeeld. Van "misbruik of oneigenlijk gebruik' is naar hun inzicht slechts zelden sprake. Weliswaar concentreert de fraudegevoeligheid zich bij enkele zeer grote inkomensafhankelijke overdrachtssubsidies en het valt nog te verdedigen dat de meeste regelingen niet rechtstreeks tot fraude aanleiding geven. Maar "oneigenlijk gebruik' is zo voor de hand liggend bij nagenoeg iedere subsidieregeling, dat het menselijk tekort bij de regelaars klaarblijkelijk nog nooit ter sprake is gekomen. In de wereld van goed en kwaad hebben de subsidies zich in de beeldvorming aan de kant van het goede genesteld.

Achter iedere subsidie schuilt een belangengemeenschap van gevers en van ontvangers. Dat maakt doorbreking van de subsidiestroom lastig en houdt een politieke status quo in stand. Twee jaar geleden, bij de Tussenbalans, is een voorzichtige poging ondernomen met minimaal succes. Afgezien van enkele grote ingrepen bij VROM is bij andere ministeries hier en daar een regeling een beetje beperkt. Zoals 1,3 miljoen gulden minder voor de ontmoediging van rookgedrag. In die orde van grootte liggen de meeste "ombuigingen'.

De subsidiepot van het rijk is wat omvang betreft bijna even groot als de jaaropbrengst van de BTW. Het is een perverse manier om geld rond te pompen: aan het ene loket betalen burgers en bedrijven BTW om bij het volgende loket de subsidies te innen. Als in een moment van verlichting de overheid besluit morgen de BTW af te schaffen en alle subsidies stop te zetten, merkt macro-economisch niemand daar iets van. Alleen stokt dan de herverdelingsmachine.

SUBSIDIËRING van het maatschappelijk leven maakt lui. Het haalt prikkels weg voor eigen initiatief en voor afwegingen van baten en lasten bij beslissingen om iets te doen of te laten. De werkelijke kosten blijven verborgen en worden afgewenteld op de gemeenschap. Dat is in een aantal gevallen gerechtvaardigd en van onmisbaar maatschappelijk nut. Maar als een overheid een vijfde deel van haar begroting voor subsidieregelingen bestemt en met oogkleppen op beweert dat van oneigenlijk gebruik geen sprake is, dan is er iets drastisch misgegaan en heeft correctie ontbroken. Het is de hoogste tijd voor een grootschalige bezinning op de instandhouding van de overheid als droomfabriek.