DE EENMANSOORLOG VAN H.J.A.HOFLAND

De draagbare Hofland samengesteld door Paul Scheffer (met inleiding van Abram de Swaan) 320 blz., Prometheus 1993, f 39,90 ISBN 90 5333 165 4

"Wenst geen biografische gegevens te verstrekken.'' Dat staat op de eerste bladzijde van het mapje "Hofland' in de archieven van NRC Handelsblad, zo ontdekte een voormalig hoofdredacteur van deze krant ooit. Henk Hofland verlangt dus zelf te bepalen wat over hem bekend wordt en wat niet, en wie geeft hem daar ongelijk in? In een lezingen-cyclus, "Memoires van een journalist', heeft hij wel een ironische en afstandelijke impressie gegeven van zijn "promotie' in 1972 van hoofdredacteur tot televisie-criticus van NRC Handelsblad. Maar zijn echte memoires zal hij, zegt hij, nog publiceren. Dat is een mooi vooruitzicht.

Wie hem in afwachting daarvan toch wil leren kennen, moet het doen met zijn enorme oeuvre van zo'n vijfentwintig boeken en duizenden columns. En die bieden veel inkijkjes in Hoflands complexe persoonlijkheid. Ze doen vermoeden dat hij voor zijn memoires niet om Freud heen zal kunnen bij het doorgronden van zijn karakter, zijn curieuze carrière en dito levenswandel. Zo geeft Hofland, zowel als beschouwend journalist als in zijn gedaante van "stukjesschrijver' S. Montag, tussen de regels door vrij wat prijs over zijn innerlijk, en niet eens als Freudiaanse versprekingen.

Of samensteller Paul Scheffer de nieuwsgierige behoefte van de grote schare liefhebbers wilde bevredigen met De draagbare Hofland, de onlangs verschenen ""selectie van de beste stukken'' uit de afgelopen decennia, weet ik niet. Maar als men wil, kan men de bundel lezen als een verkapte zelfschets. Scheffer heeft de vijfendertig, van lengte en inhoud zeer verschillende, stukken in vijf rubrieken ondergebracht, en die lijken samen een uitstekende weerspiegeling te zijn van de factoren die Hoflands mens- en wereldbeeld en zijn journalistieke loopbaan hebben bepaald: Het geheugen, De oorlog, Het bestel, Op weg, De mens.

Neem het geheugen, Hoflands goudmijn. Weinig journalisten zullen een beter geheugen hebben dan hij. Hofland koestert het voorval en de sfeertekening, en dat vooral ten behoeve van zijn oordeel inzake het lot van "de beschaving'. In zijn eigen woorden: ""De grote historie blijft "leven' dank zij persoonlijke kleinigheden.''

Macht, orde, welvaart en vrijheid: een liberale democratie kan niet zonder het evenwicht tussen al deze elementen, een liberaal-burgerlijke krant evenmin.. Zonder begrip van de strijd tussen deze elementen is de journalistieke Werdegang van de zichzelf "anarcho-liberaal' noemende Hofland, zeker zijn afzetting als hoofdredacteur, niet goed te begrijpen.

BEDELING

Hoewel Hofland geboren werd in een villa in het Rotterdamse Kralingen, past hij wonderwel in de traditie van het Amsterdamse Algemeen Handelsblad. J. W. van den Biesen richtte deze krant in 1828 op omdat het blaadje Waarenberigten - prijsoverzichten, beurskoersen - dreigde te verdwijnen en omdat zijns inziens alleen openbaarheid kon zorgen voor de opleving in de stad waar zoveel panden verkommerden en zo velen van de bedeling moesten leven. Kijkt Hofland niet ook overal waar hij zich in de wereld bevindt even naar de prijs van een en ander? En ziet hij bij terugkeer niet telkens dat de stad weer verder is verslonst?

Van den Biesen wilde met het Handelsblad de handel bevorderen, niet de industrie, want geld en handel betekenden in zijn ogen vrijheid: ""In Duitschland is weinig handel en daarom slechts zooveel genot van vrijheid als sommige welwillende en helderziende vorsten hunne landgenooten vergunnen'', schreef hij in 1828. Zijn verre opvolger Hofland had het, anderhalve eeuw later en onder hetzelfde embleem uit 1828 - Lux et Libertas - ook kunnen schrijven.

Dat Hofland het in 1972 moest afleggen tegen de directie en de twee andere hoofdredacteuren, onder wie de uit Amsterdam afkomstige mr J. L. Heldring, had alles te maken met de strijd binnen de nieuwe, gefuseerde krant tussen de twee liberale tradities waarbij, ruwweg, de ene meer uitging van handel en vrijheid en de ander meer van industrie en orde. In Rotterdam werd Hofland, zoals hij schrijft in zijn (in de bundel opgenomen) "Memoires van een journalist', gezien ""als de enigszins geschifte aanvoerder van een stropdasloze rooie bende"'. En dat oordeel had diepe wortels. H. Nijgh Sr. had in 1844 de Nieuwe Rotterdamsche Courant immers als 'Staatkundig blad' opgericht. Of, zoals mr H. H. Tels in het eerste hoofdartikel Aan het publiek! schreef: ""Verbreiding van echt constitutionele begrippen is ons doel, bevordering der algemene welvaart onze strekking, al wat de belangen van het Vaderland raakt onze werkkring.''

In De draagbare Hofland kan men weinig vinden waaruit blijkt dat deze trits het uitgangspunt van Hoflands denken vormt. En Tels' adagium dat de NRC alleen zaken, en niet personen wilde beschrijven en beoordelen - met ""gematigdheid zonder flaauwheid'' - is hem ook niet op het lijf geschreven. Hofland wordt niet gedreven door gematigdheid, maar door andere emoties. Welke?

""Woede en boosheid'', zo legde W. Woltz, oud-hoofdredacteur van NRC-Handelsblad, de vinger op de kern van de zaak in H. J. A. Hofland, journalist. Dat liber amicorum verscheen vorig jaar toen Hofland de door hem zo gehate "pensioengerechtigde leeftijd' bereikte. Want hij is, behalve essayist en virtuoos stilist, aldus Woltz ""vóór alles een knorrige, ouder wordende man''.

Dat laatste is ook typisch Algemeen Handelsblad. Hofland mocht ooit in een scherp artikel de invloed van de "Onverdraagzaamste Abonnee' over de hekel halen. Die figuur hóórde bij de krant. In 1828 begon een van de eerste ingezonden brieven zo: ""Ik maak gebruik van het regt dat mijne gevorderde jaren mij geven om knorrig te zijn en het te durven zeggen'. Het ligt bijna voor de hand te concluderen dat Hofland nu zélf de Onverdraagzaamste Abonnee is - niet van de krant maar van de wereld.

BUURTWINKEL

Hoe dit ook zij, die onverdraagzaamheid en die somberheid over de beschaving - ""De evolutie gaat van dik en deftig naar agressie, van walvis naar haai'' - leveren Overpeinzingen op die, als ze in het Engels zouden worden gepubliceerd, in zijn lijfblad Herald Tribune niet zouden misstaan. Al zou ik niet zo gauw weten hoe je Hoflandiaanse woorden als "blikfascisme' en "verhandzwagering' zou moeten vertalen.

Als men De draagbare Hofland als zelfschets leest, kan men ook vaststellen dat Hoflands knorrigheid met de jaren misschien is toegenomen, maar dat deze zich al heel vroeg ontwikkeld had. In het eerste stuk van de bundel, "Station Voorschoterlaan', beschrijft hij hoe het geliefde buurtwinkeltje van mevrouw Iewaarde door de Grote Crisis maar vooral door het pensioen van haar echtgenoot zijn deuren moest sluiten: ""de eerste inbreuk van de maatschappij op mijn leven''. Het lijkt een sleutelzin voor de ontsluiting van Hofland. Hij wordt gedreven door ""woede en boosheid'' over elke inbreuk op zijn leven en persoonlijke vrijheid. De toetssteen voor zijn politieke oordeel is, zo schrijft Abram de Swaan in het Voorwoord, ""niet iets, maar iemand. Dat is Hofland zelf, of beter Hofland op zijn Montags''.

Dat geldt echter ook voor veel van zijn essays. Ook daarin staat vaak "de inbreuk' door de ander, de staat, de maatschappij, de wereld, kortom de grote en kleine machten, centraal: de Duitsers die op 14 mei 1940 het decor van zijn jeugd wegvaagden, de staat die hem naar Indonesië stuurde, de directie die hem afzette, Ronald Reagan die met "zijn' Europa blufpokerde, de "blikfascisten' die hem van de stoep afrijden, de vent tegenover hem in de trein met zijn zweetvoeten.

Tegen al deze machten voert Hofland zijn eenmansoorlog. Maar niet minder tegen zichzelf, tegen zijn zwakte voor drank, tabak en andere geneugten. In "Drank & Tabak' en het schitterende "Boven en onder de grond op Schiermonnikoog' laat Hofland zien dat hij niet alleen de buitenwereld trefzeker kan schetsen, maar ook zijn eigen binnenwereld. En hij is de eerste die toegeeft dat er daar in het algemeen geen vrolijke stemming heerst: ""Andermans waarheden interesseren me niet, maar ik ben bang voor mijn eigen waarheid.''

DORST NAAR MACHT

Wat is die waarheid? Dat er een klein, gedwarsboomd dictatortje in zijn binnenste zit? Freud zou dit aan de hand van enkele citaten uit de bundel zonder moeite kunnen concluderen: ""Ik blaakte van eerzucht en dorst naar macht. Daarbij was ik ervan overtuigd dat ik beter dan wie ook wist hoe het moest in de dagbladjournalistiek'' (over zijn hoofdredacteurschap); ""Alles en iedereen op de weg gedroeg zich zoals ik het wilde. De wereld volgens de wet van Hofland'' (op weg naar Frankrijk); ""Het onvermijdelijke afscheid van het lauw wordende water staat gelijk met de partus, en ik denk wel eens dat die, wat mij en vele anderen betreft, beter nooit had kunnen plaatsvinden'' (over het nemen van een warm bad); "'De gordijnen dicht, drank voor je neus en liefst - denk ik soms in een opgewekte bui - een geweer bij de hand. Je moet het zo inrichten dat je onvindbaar en onkwetsbaar bent en dat niemand het hart heeft, aan je geluk te komen, zolang dat duurt'' (in de Tox Bar).

Hofland heeft dus weinig illusies meer, over zichzelf niet en ook niet over de wereld. En dit is goed, zegt hij, want het bevordert de nieuwsgierigheid. Samen met de "woede en boosheid' levert dit, net als bij zijn held W. F. Hermans (met Gorbatsjov en misschien D.U. Stikker een van de weinige helden in Hoflands wereld), in ieder geval een groot oeuvre op.

En net als Hermans lijkt Hofland over de Nederlandse maatschappij ook nooit illusies te hebben gehad, op die kortstondige periode eind jaren zestig na misschien. Overdreven gezegd: buiten sociëteit Arti et Amicitiae - ""een van de laatste bolwerken van de oude Amsterdamse stadsbeschaving'' - is Nederland niks. Dat staat voor hem vast. ""De wereld, of liever gezegd Nederland, is versleten, het maakt een afgeleefde indruk.'' Hoflands grootste bezwaar: Nederland is door de welvaart, die voor de ""betonnen snertperronnetjes met hun broodmagere abri's'' en de ""volgevreten, luidruchtige massa'' heeft gezorgd, tot afhankelijkheid en conservatisme veroordeeld.

De oorzaak? De basis van redelijkheid en ethische pretenties waarop het hele leven hier rust. Daarom noemt hij in "De sociaal-democratie en het goede huwelijk' beide systemen ""gewatteerde dictaturen''. Daarom is Drees voor hem ""de Godfather van de bureaucratisering der nette armoe, bewaakt door de sociale en fiscale gestapo''. Het resultaat van al die rechtvaardigheid en redelijkheid is ""niet zozeer een wenkend perspectief als wel een asgrauw heden''.

Omdat dit hedendaagse Nederland ""begint te kleven'', wil Hofland er net als Slauerhoff eigenlijk niet leven, al hoort Reve's toevoeging "maar met behoud van maandsalaris' er misschien wel bij. Op reis, uit het treinraam kijkend, komt pas het gevoel van vrijheid terug, omdat dan zijn ""hele bewustzijn zich vult met een Nirwana-achtige sensatie van tijdloosheid, eindeloosheid en onbestemdheid''. Ook in het Oostblok medio jaren tachtig. Daar was het hem, schrijft hij, als "luxe-reiziger' goed bevallen, zelfs in Roemenië. Daar vond hij de jaren vijftig terug. Daar was nog ""een soort bescheiden fatsoen'' bij de mensen bewaard gebleven, daar was het ""dwangmatig zwelgen'' en ook de ""zelfingenomen luidruchtigheid'' nog afwezig die thuis de toon van het hele openbare leven bepaalt.

Door zijn haat-liefde-verhouding met zowel Amerika als het voormalige Oostblok noemde Hofland zich na terugkeer uit Jalta in 1985 ""schizofreen van twee ideologieën''. Men kan dit voor een "anarcho-liberaal' een merkwaardig standpunt noemen, maar ook eerlijker dan dat van de meeste haviken uit die tijd.

TEGENSTRIJDIGHEDEN

Hofland laat zich nooit compleet kennen, aldus Woltz in het vriendenboek. Dat wordt ook uit deze bundel duidelijk. Daarvoor zijn er te veel tegenstrijdigheden of ogenschijnlijke tegenstrijdigheden aanwezig.

Zo zijn voor Hofland - ""conservatief als ik ben'' - veranderingen alleen nuttig omdat je er over kunt schrijven, maar veroordeelt hij het conservatisme van de maatschappij en gingen hem in de jaren vijftig en zestig de veranderingen niet snel genoeg. ""Ik geloof in een gezonde nationale defensie'', schrijft hij hier. Daar heet het: ""Twee agenten te paard in de Kalverstraat zijn wat mij betreft al te gek om los te lopen.''

En dan die voorliefde voor de jaren vijftig. Was dat niet de tijd van het Bestel dat hij in Tegels Lichten, waarmee hij in 1972 beroemd werd, zo boos beschreef? Enkele van deze essays zijn nu ook opgenomen, zoals "Greet Hofmans en de pers'. Op het eerste gezicht passen de "woede en boosheid' van Hofland over de geheimzinnigheid waarmee de autoriteiten de zaak Hofmans omringden, niet in het "inbreuk op mijn leven' rijtje. Vanwaar dus die woede?

Zonderling genoeg dringt een overeenkomst tussen Hofmans en Hofland zich bij mij op. De gebedsgenezeres Hofmans verdween medio jaren vijftig na bundeling van tegenkrachten aan het hof, die hierbij handig gebruik maakten van de buitenlandse pers. Hofland moest na soortgelijke tegenactie het veld ruimen als alles overhoop halende hoofdredacteur, waarbij de pers (de Telegraaf) als breekijzer fungeerde. Beide affaires zelf speelden zich, zoals dat gaat met een machtsstrijd, af buiten de publiciteit. Het Bestel won. Was Hoflands haat tegen het Bestel niet vooral de haat tegen "het Bestel' dat hem zelf ten val had gebracht?

Eén cruciaal verschil is er natuurlijk tussen Hofland en Hofmans. Met de verdwijning van het hof was haar invloed verdwenen. Met het verdwijnen van Hofland uit de hoofdredactie begon zijn, in de woorden van Woltz, ""wraakactie van nu al twintig jaar''. En die verliep almaar succesvoller.

MYSTERIEUZE GROOTTE

Hofland kijkt nu vanaf de Amsterdamse redactie van NRC Handelsblad rechtstreeks uit op het paleis, en zijn invloed en gezag zijn na 1972 alleen maar toegenomen, tot mysterieuze grootte. Bij de lezers is hij populairder dan ooit, voor sommigen is hij "een goeroe' geworden, voor legio journalisten is hij de toetssteen geworden voor wat journalistiek en een journalistieke manier van leven is. Hij is, kortom, zoiets als de Nederlandse vleeswording van de "freischwebende Intelligenz'.

Voor sommigen staat vast dat NRC-Handelsblad zonder Hofland, en de liberale traditie van persoonlijke vrijheid waarvoor hij staat, uit het lood zou komen te hangen. Al zullen zij waarschijnlijk zijn Ideale Bestel, waarover hij zich overigens nooit direct uitlaat, niet geheel en al delen. Ook in deze bundel komt dat ideaal slechts tussen neus en lippen door te voorschijn. En dat moeten we niet in de jaren vijftig zoeken, maar lang daarvoor: ""Op de lagere school heb ik moeten leren dat Nederland acht miljoen inwoners had, en dat leek me veel te veel. Daarvóór al, toen ik vijf was, had ik me geweldig kwaad gemaakt bij de voltooiing van de Afsluitdijk, en nog altijd hoop ik - vruchteloos, dat besef ik wel - dat dit kunstwerk weer eens zal worden afgegraven, dat Schokland weer een eiland zal worden en de nachtboot naar Lemmer de dienst zal hervatten.'' Aan de Afsluitdijk begon men toen de "partus' van Hofland op het punt stond plaats te grijpen. Zijn ideale tijdperk ligt dus daarvoor. Misschien wel in de jaren dat J. W. van den Biesen het Algemeen Handelsblad oprichtte, die paspoortloze tijd waarin het geen usance was "biografische gegevens' te verstrekken.