De dubbelmonarchie was hem niet ter ore gekomen

Toen ik twaalf jaar was kreeg ik met Sinterklaas een boek over het leven van Michiel Adriaanszoon de Ruiter. Dat was van L. Penning, geen historicus, maar hij kon goed vertellen.

Dat eerste boek over geschiedenis heb ik een paar keer gelezen en vaak ingezien, het interesseerde me intens. Ik was ook erg onder de indruk van de voetnoten, die had ik nog nooit gezien.

Het aantrekkelijkste voor een jongen van mijn leeftijd was natuurlijk de romantiek van zijn heldendaden en overwinningen, maar je werd ook bepaald bij tegenslag en nederlaag. Achteraf denk ik echter dat het belangrijkste van dit weliswaar eenvoudige boek was, de beschrijving van de plaats die onze beroemdste admiraal innam in de zeventiende eeuwse republiek.

Zijn verhouding tot de Staten en Oranje, zijn godsdienstige opvattingen, zijn rol in de strijd tegen de kapers en vooral, de grote rivaal Engeland, zijn conflict met Cornelis Tromp, het vrijkopen van Hongaarse predikanten en nog veel meer kwamen aan bod. Dat zijn vraagstukken en toestanden die op een of andere manier nog steeds aan de orde zijn. Bovendien werd daarbij levendig gellustreerd dat zelfs toen we machtig waren ons land erg afhankelijk bleef van anderen.

Helaas ben ik dat boek kwijtgeraakt, maar sedert die Sinterklaas heb ik veel over ons verleden gelezen. Voor mijn plezier en om iets te weten te komen. Biografieën, algemene en specifieke historische boeken of artikelen, petite histoire, histoire romancée. En, naarmate mijn wereld wijder werd, niet alleen Europees. Dat heeft niets met studeren te maken, het is gewoon het soort lectuur dat mij aantrekt. Wat ik onthoud is meegenomen, soms blijft slechts de kleur of sfeer je bij, terwijl de feiten naar de achtergrond verdwijnen. En je kunt weer wat opzoeken. Voor de nieuwsgierigheid die er achter zit is ook wel een praktische reden. Het is een cliché dat het verleden ons veel te leren heeft, “in 't verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal” dichtte Willem Bilderdijk.

Maar je hoeft geen historisch determinist te zijn om te erkennen dat tijdperken elkaar benvloeden. Geschiedenis lijkt mij elk verhaal van mensen die ons voorgingen. Een mengsel van feiten, vermoedens, indrukken en interpretaties die vaak uit de zoveelste hand tot ons komen. Over figuren, groepen, volken, staten, godsdiensten, culturen, conflicten, economische, sociale en politieke ontwikkelingen.

Maar er is zo eindeloos veel gebeurd dat we het verleden nooit echt goed zullen kennen, zelfs niet kleine stukjes van een vonkje, ontastbare werkelijkheid. In wat mindere mate geldt dit zelfs ook voor wat men contemporaine geschiedenis noemt, historie in statu nascendi.

Leer je er toch iets van? De een meer dan de ander, natuurlijk, maar in het algemeen zijn we helaas onuitroeibaar hardleers. Dat betekent echter niet dat historische kennis onbelangrijk is. Integendeel, zij kan ons inzicht in de wereld om ons heen en wat er op zou kunnen volgen, enigermate verhelderen.

In een land waar iedereen wat te vertellen heeft (mondige burgers noemt men ze nu) mag het onderwijs er zich derhalve niet met een Jantje van Leiden afmaken. Mensen zijn niet wezenlijk veranderd, wel de omstandigheden waarin zij leven en hun onderlinge verhoudingen. Als ik de centrale gedachte van Arnold Toynbee over de geschiedenis van het menselijk bestaan, de "Challenge and Response', goed versta dan wordt zij gedreven door de wet van acties en reacties een parallel met de natuurkunde. Zo'n parallel heeft ook de wet van de traagheid, onze universele sociale traagheid lijkt mij van dezelfde orde. Dat blijkt uit de levensgang der mensheid en je ziet het dagelijks om je heen.

De geschiedenis heeft mij vooral bepaald bij de noodzaak om bij besluitvorming te relationeren en te relativeren. Om verbanden te herkennen, omdat niemand en niets op zichzelf staat en omdat elke stap een volgende stap veroorzaakt. En dan is er de betrekkelijkheid van mensen, machten en meningen. Als je eerbied hebt voor historie is er niet zoveel ruimte voor vaste en onveranderlijke zekerheden, behalve voor een beperkt aantal fundamentele uitgangspunten. Dat we die laatste niet mogen verwaarlozen blijkt ook uit de geschiedenis. En vooral sinds Einstein en Heisenberg weten we dat niet slechts relationeren maar ook relativeren in de natuurkunde thuishoort.

Op school kwam je vanzelfsprekend aan zulke beschouwingen niet toe, maar ik ben blij dat ons een groot aantal historische gebeurtenissen werd doorgegeven, steunpunten voor het verstaan. Ik zeg bewust gebeurtenissen, feiten, want we hoorden ook heel wat verhalen die niet (helemaal) juist waren. Het zou me toen verbaasd hebben dat de Spanjaarden de Tachtigjarige oorlog niet kennen, dat je de strijd tussen katholieken en protestanten en tussen de laatsten onderling, de botsing van de Oranjepartij en de Patriotten, de houding van het noorden jegens het zuiden, later Belgen, het veroveren en bezitten van onze koloniën, om slechts een paar voorbeelden te noemen, ook in een ander licht kon zien dan ons werd voorgehouden. Maar we kregen aardig wat mee om op voort te bouwen. Zo verwondert men zich niet al te snel en men vraagt wat vaker naar achtergronden.

Toegegeven, op zichzelf lost dat niets op en als men dat afdoende vindt heb ik niets uit te leggen. Evenmin als aan de man aan wie ik onlangs trachtte het grapje te vertellen van de Europarlementariër Otto von Habsburg die hoorde van een voetbalwedstrijd Oostenrijk-Hongarije en vroeg: “Tegen wie?” Niet zo nieuw, vrees ik en ik dacht dat hij het misschien al kende. Maar hij reageerde niet, omdat hij het niet kon begrijpen, de dubbel-monarchie was hem niet ter ore gekomen.

Van zulke ontwikkelde mensen moeten we er niet te veel hebben.