Commercieel denken viert hoogtij in Wereldwinkels

DORDRECHT, 19 JUNI. Novib, Artsen Zonder Grenzen, Gast aan Tafel en andere goede doelen krijgen er volgend jaar een concurrent bij. Dan wordt het voor klanten mogelijk lid te worden van de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels, die produkten uit de Derde Wereld verkopen waarvoor een "eerlijke' prijs wordt betaald.

De Wereldwinkels hebben dit vorige week besloten om hun vereniging aan inkomsten te helpen nu haar belangrijkste subsidiegever minder gul dreigt te worden. Ook is tot contributieverhoging voor de winkels besloten. Het is de prijs die de Wereldwinkels, begonnen in het geitewollen-sokken-tijdperk, betalen voor hun toenemende professionalisering: inmiddels zijn er ruim 350 vestigingen die draaiende worden gehouden door 7.000 vrijwilligers en vorig jaar gezamenlijk een omzet haalden van ruim 18 miljoen gulden.

De Dordtse vestiging, in 1992 goed voor een omzet van 160.000 gulden, maakte de hele ontwikkeling van flower power tot no nonsense mee. P. Keesmaat, één van de oprichters: “Het begon met een manifestatie voor rietsuiker in 1970. Rietsuiker was destijds hèt symbool van de onrechtvaardige handelssituatie tussen Noord en Zuid. De gemeente stelde een pand beschikbaar voor een Wereldwinkel. Met een oude Eend haalden we bij SOS Wereldhandel in Culemborg drie balen rietsuiker. Ook verkochten we boeken, kunstnijverheidsprodukten, affiches en koffie. We hoopten dat we daarmee de samenleving konden veranderen.”

“Later verschoof de aandacht naar andere zaken, zoals de Vietnam-oorlog. Op een gegeven moment hielden we ons voornamelijk met ideologische vraagstukken bezig. Probleem was dat we te weinig gebruiksvoorwerpen verkochten, het dansende paard van Hati, het masker van de Amazones, op een gegeven moment staat je kamer vol.” Keesmaat, die in 1982 uit de Wereldwinkel stapte, constateert tevreden dat het assortiment nu bestaat uit produkten waar wel vraag naar is.

Dat het goed gaat met de Wereldwinkel in Dordrecht blijkt wel uit het feit dat coördinator J. Slager sinds kort voor tien uur per week uit de winkelkas wordt betaald. In 1987 verhuisde de winkel naar een gunstige lokatie net buiten het centrum. “Sinds we hier zitten is de winkel een stuk professioneler van opzet. Het nieuwe denken houdt in dat je het geld dat je verdient niet doorsluist naar een Derde-Wereldproject, maar dat je dat investeert in je eigen zaak. Naarmate we meer investeren verkopen we meer, waardoor we een structurele bijdrage leveren aan het ontwikkelen van de armere landen.”

Het professionelere denken wordt ondersteund door de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels. Daarvoor betalen alle winkels contributie en ontvangt de Vereniging subsidies. Met 750.000 gulden is de Nationale Commissie voor voorlichting en bewustwording Ontwikkelingssamenwerking (NCO) de grootste geldschieter.

In de jaren '70 waren de Wereldwinkels het paradepaardje van de NCO. Maar de relatie is bekoeld sinds de NCO het idee heeft dat de aandacht te veel verschuift van voorlichting en bewustwording naar verkoopactiviteiten. Begin dit jaar verrichtte het adviesbureau Berenschot een onderzoek naar het functioneren van de Vereniging omdat de NCO de hoogte van de subsidie wil herzien. Berenschot berekende dat een subsidie van 500.000 gulden redelijk is gezien de hoeveelheid tijd die de Vereniging steekt in het voorlichten van haar leden, de Wereldwinkels. Dit betekent een korting van 250.000 gulden die goed gemaakt moet worden door de contributieverhoging en het aantrekken van nieuwe leden, de consumenten. Volgens Slager is de contributieverhoging niet onterecht omdat de Vereniging de Wereldwinkels steeds meer en beter ondersteunt.

K. de Wit, voorzitter van de regio Rijnmond, denkt niet dat alle Wereldwinkels staan te trappelen om contributieverhoging. Zijn vrouw is één van de oprichtsters van de zes jaar oude Wereldwinkel in Rotterdam Zuid, die het nu financieel al moeilijk heeft. In tegenstelling tot de gemeente Dordrecht verleent Rotterdam geen subsidie. “Per maand zijn we ongeveer duizend gulden kwijt aan de huur en bijkomende zaken. Op een kilo koffie maken we één gulden winst, dus we moeten ontzettend veel verkopen om quitte te draaien. Vorig jaar hadden we een omzet van 75.000 gulden, daar hielden we een paar honderd gulden van over waar ik twee uithangborden van heb gemaakt. Op deze manier kun je geen kapitaal opbouwen.” Over het lidmaatschap voor consumenten is De Wit sceptisch: “Dan moeten wij aan klanten die een pak koffie kopen vragen of ze vijfendertig gulden willen betalen om lid te worden.”

Slager daarentegen vindt het een hele slimme zet, vooral om de klanten te betrekken bij het politieke deel van het werk, het opbouwen van een gelijkwaardige handel tussen arm en rijk. “Die idealen leven nog steeds, maar je moet de mensen op een andere manier aanspreken dan twintig jaar geleden. Wat je over de jaren '70 hoort klinkt heel dromerig, dat past helemaal niet bij mij. Ik ben meer een winkelier dan een idealist.”