Belangstelling voor architectuur groeit sterk

De belangstelling in Nederland voor hedendaagse architectuur, uitg. Het Spinhuis, UvA, Amsterdam.

AMSTERDAM, 19 JUNI. In de afgelopen tien tot vijftien jaar is de belangstelling voor de architectuur, de 'meest democratische kunstvorm', enorm gegroeid. Dit constateert de socioloog Pieter Rings in een gisteren gepresenteerd onderzoek dat hij verrichtte in opdracht van het Ministerie van WVC en de Universiteit van Amsterdam.

In het rapport, getiteld 'De belangstelling in Nederland voor hedendaagse architectuur', bespreekt hij diverse facetten van deze belangstelling: de media, het bekronen en de prijsvragen, het 'architectuurtoerisme', de lezingen en tentoonstellingen en de bijbehorende aantallen bezoekers. Als case study van het Nederlandse architectuurdebat beschrijft hij de reacties op het gebouw Byzantium van Rem Koolhaas bij het Amsterdamse Vondelpark.

Ring berekende dat de hoeveelheid artikelen die de dagbladen aan de bouwkunst besteedden, tussen 1976 en 1991 meer dan verdubbeld is. Ook veranderde de benadering van de architect: Van Eyck en Hertzberger werden in 1976 nog gentroduceerd als "de Cruijff en Neeskens van de architectuur', begin jaren negentig worden architecten genterviewd als autoriteiten en staat Rem Koolhaas op de cover van de HP.

Werd de architectuur eerst op de economiepagina's behandeld, nu is het een zaak van de kunstredacties. De nadruk ligt inmiddels meer op de visuele en esthetische aspecten. De Woonkrant van de Telegraaf schrijft vooral over wat Pieter Rings "anekdotische' architectuur noemt - drijvende piramidewoningen, stolpwoningen en kopieën van het orakel van Delphi in een achtertuin in Putten - maar bereikt daarmee wel meer lezers dan de Volkskrant, NRC Handelsblad en Utrechts Nieuwsblad tesamen. Opvallend vindt Rings de geringe aandacht van de televisie voor het onderwerp: anders dan België, Duitsland en Engeland had Nederland in 1991 geen eigen serie. Later dit jaar werden er wel series van de Avro en Teleac geproduceerd. Meer belangstelling voor de architectuur heeft echter niet geleid tot een stijging van de oplagen van de vaktijdschriften.

Ondanks het feit dat ze bijna twee keer zo duur zijn als het gemiddelde boek is het aantal uitgaven over architectuur spectaculair gegroeid, Tussen 1983 en 1989 groeide het aantal nieuwe titels op alle gebieden met dertig procent, maar over architectuur, stedebouw, kunst en fotografie met liefst 68 procent.

In 1976 vermeldde de agenda van het vaktijdschrift Wonen/TABK een handjevol tentoonstellingen; eind '91 noteerde het bulletin van de stichting Arcam er 32 alleen in Amsterdam en omgeving. Een lokale instantie als het Architectuur Bouwhistorisch Centrum in Haarlem blijkt minstens even veel bezoekers te trekken als het Nederlands Architectuur Instituut in Rotterdam (nu nog in zijn tijdelijke behuizing). Overigens trekken exposities in de Beurs van Berlage in een paar maanden tijd vaak meer bezoekers dan het ABC of het NAI in een heel jaar.

Tussen 1981 en 1989 is het aantal prijsvragen niet noemenswaardig gegroeid, wel het aantal prijzen: Rings citeert een artikel van vorig jaar waarin gewag werd gemaakt van twaalf algemene prijzen, negen van het bedrijfsleven en tien van gemeenten of regio's. Ook het architectuurtoerisme heeft een hoge vlucht genomen: er zijn steeds meer instanties die reizen, excursies en lezingen organiseren en steeds meer genteresseerden. Alberts' NMB-gebouw in de Bijlmer trekt jaren na oplevering nog diverse groepen per dag. En dan heeft Rings het nog niet eens over het feit dat er jaarlijks steeds meer mensen erop uitgaan voor de De Dag van de Architectuur, die dit jaar op 3 juli plaats vindt.

Rings noemt Byzantium “een van de nieuwe gebouwen waarover veel mensen zich genoodzaakt voelen een mening te vormen”. Hij signaleert een kloof tussen het bijna unaniem negatief reagerende publiek en de veel positievere vakpers. Zijn rapport was al begonnen met de constatering van diezelfde kloof: “In bijna alle onderzoeken naar waardering voor architectuur doemt de discrepantie op tussen enerzijds het overgrote deel van de bevolking dat alleen waardering heeft voor gebouwen ouder dan vijfig jaar en een hele kleine groep, geliëerd aan de vakwereld van architecten, die ook waardering voor moderne architectuur kan opbrengen.”