"Andijvie verkopen ze hier niet meer'

Het klonk als een noodkreet. Directeur A. Van der Zalm van een basisschool in de Haagse Schilderswijk-west vroeg vorige week aandacht voor de problemen in zijn buurt. Zijn leerlingen werken soms als drugskoerier. Vandaag de vierde en laatste aflevering in een serie over de wijk: Hoe was het vroeger?

DEN HAAG, 19 JUNI. Vijf kinderen heeft ze grootgebracht in de Schilderswijk-west. Nee, de ruime speelplaats met schommels en klimrekken, die was er toen niet. Maar het was hier wel een “nette arbeidersbuurt”. “De laatste tijd is dat teruggelopen.” Ze zou haar kinderen hier nu niet willen opvoeden. “Snuf- en hasjhandel, daar zou ik ze niet aan willen blootstellen.”

Dertig jaar woont mevrouw De Jong in de wijk. In september moeten zij en haar man, beiden ver in de zestig, hun woning verlaten. “Alles gaat hier plat.” Ze behoren tot de laatste authentieke Schilderswijkers in de buurt. In hun huiskamer tikt een koekoeksklok. Op de grond stapels boeken en dozen. “We zijn vast begonnen met inpakken.” De kamer kijkt uit op de speelplaats van een basisschool, waar een groepje jongens voetbalt. “Toen onze kinderen klein waren, stond daar een fabriek”, herinnert meneer De Jong zich.

Een snoepfabriek, de broodfabriek HUS, meubelfabriek Hollandia - de Schilderswijk ontwikkelde zich vanaf midden vorige eeuw tot een industrie-rijke buurt. Voor de arbeiders werden hofjeswoningen gebouwd, dicht op elkaar en van slecht materiaal. “Zo ontstond in Den Haag een on-Haagse arbeiderswijk”, zegt J. Duivesteijn, auteur van Kijk op de Schilderswijk. Zelf woont hij sinds 1955 in de wijk. “Toen ik in de jaren vijftig als kind op straat speelde, was dit een echte volksbuurt. Mensen met dezelfde achtergrond die elkaar kenden.”

“Het was hier in die tijd echt gezellig”, herinnert zich meneer Heijboer (83). Sinds 1947 bewoont hij een etagewoning in de Schilderswijk. Hij kwam in de wijk wonen omdat de huur er laag was. Maar juist omdat de huren laag waren, investeerden huisbazen weinig in hun woningen. Zo begon de verkrotting van de wijk. “In al die tijd dat wij hier wonen, is er nooit iets aan ons huis gedaan”, zegt meneer De Jong.

Vanaf de jaren zestig werden de eerste saneringsplannen gelanceerd. Veel huizen waren toen zo vervallen dat renovatie niet meer loonde. “De jaren zeventig was een tijd van sloop en kaalslag”, zegt Duivesteijn. “De sociale structuur van de buurt werd uit elkaar getrokken.” De leegstaande panden lokten bovendien verslaafden en dealers, vooral de laatste jaren toen de renovatie wegens geldgebrek stagneerde.

“In onze straat zijn ze al meer dan vijftien jaar aan het slopen”, treurt mevrouw De Jong. “En de weinige winkels die er nog zijn, zijn buitenlandse winkels. Ze verkopen nog geen struikje andijvie, alleen maar paprika's en pepers.” Al hun kennissen uit de buurt zijn verhuisd. “Vroeger ging je een bakje koffie drinken bij de buren. Nu is iedereen weg. Dit is mijn buurt niet meer.”

“De gezellige volksbuurt van vroeger komt nooit meer terug”, zegt A. van der Zalm, directeur van een basisschool in de Schilderswijk-west. “Maar deze urban jungle moet wel een voor kinderen leefbare wijk worden.” Tegenover zijn school zat tot voor kort een coffeeshop waar harddrugs werd verkocht. Rond het schoolplein weet hij verschillende gedoogpanden aan te wijzen. Bovendien heeft hij gezien dat kinderen drugs in de handen geduwd kregen.

“We waarschuwen de kinderen dat ze niets moeten aannemen van vreemden en dat ze voorzichtig moeten zijn als ze spuitjes vinden.” Verder gaat de voorlichting op school niet. “Je moet niet te veel de nadruk leggen op de problemen”, vindt het schoolhoofd. “Als wij gaan uitleggen wat die herone-meneren doen en wat de gevolgen van drugsgebruik kunnen zijn, worden de kinderen paniekerig. De kinderwereld is een fantasiewereld, die moet geen rauwe werkelijkheid worden.”

Niet de gevolgen, maar de oorzaken van de problemen moeten worden aangepakt, meent Van der Zalm. “Voor deze kinderen is school een oase van rust in de boze buitenwereld. Op school kunnen wij de problemen van de buitenwereld niet oplossen. Dat moeten politie en wijkorganisaties doen. Vandaar mijn noodkreet.”