Aapjesorchis (2)

Jo Willems en het bevolkingsregister van onze enige vrijlevende aapjesorchissen.

Nummer 21, een celibatair bestaan. Kwam dertien jaar achter elkaar boven de grond, zonder één keer te bloeien. “Overleden aan een molshoop.”

Nummer 1 daarentegen bloeide in '80, '81, '82, '84, '88, '89, '90 en '91. “Dit is een hele goeie ja.”

Nummer 27 vertoont een soortgelijke reeks. Maar geen enkele dochter kan tippen aan de Moederplant. Tot nu toe bloeide zij het vaakst, het weelderigst.

Grappig is dat. Bij vogels zie je het ook. Zodra ze tot individu worden gemaakt, door middel van ringen aan de poot, begin je mee te leven. Dan doen ze het goed of minder goed. Dan hebben ze geluk of pech. Dan maakt de onderzoeker gewag van prestaties. Zoals ze in Groningen over torenvalken praten, zo praat Jo Willems over de aapjesorchis. Alleen ligt het individualiseren in de plantenwereld een stuk moeilijker.

Het volkje slinkt. In 1983 had de Moederplant zestig nakomelingen om zich heen. In 1990 nog maar dertig. “De mortaliteit is steeds weer groter dan de nataliteit. De vitaliteit neemt duidelijk af.”

De Moederplant. “Ik ken haar nu zo'n tweeëntwintig jaar. Ik ken haar langer dan mijn dochter, en die is al tweedejaars in Leiden.” En dan valt Willems even stil.