Zoek maar iets uit

Ik maak nooit iets mee. Maar vroeger wel. Want toen was ik nog wel eens jarig.

Op een van die verjaardagen kwam 's morgens mijn tante op bezoek, mijn tante van de boerderij. Ze deed geheimzinnig, want ze had iets heel bijzonders meegebracht: een witte plastic beker met blauwe bloemen erop en daarin zat een heel groot, langwerpig kippeëi, twee keer zo groot als een normaal ei. Dat was nog eens een mooi cadeau. Ongelovig bekeek ik het grote witte ding. Om te zien of het echt was moest je het eigenlijk stukslaan. Volgens mijn tante had een van haar kippen die ochtend speciaal voor mij dit dubbelei gelegd. Dat was wel het geheimzinnigste: de gedachte aan een kip die wist dat ik jarig was en er daarom eens goed voor was was gaan zitten. Ik geloofde haar. En eigenlijk geloof ik haar nog steeds.

's Middags kwam mijn peettante op bezoek uit de grote stad op bezoek. Die had een nog bijzonderder cadeau: ik mocht met haar zelf iets gaan uitzoeken. Samen betraden wij de plaatselijke speelgoedwinkel. ”Zoek maar iets uit', zei mijn tante. Zelf liep ze naar de afdeling huishoudelijke artikelen, want ze had een nieuwe fluitketel nodig. Gespannen drentelde ik naar de schappen. Eigenlijk wilde ik alles wel, maar dat kon niet de bedoeling wezen. Ik moest iets kiezen, maar wat? Een paar knikkers, een kladblok, een doosje kleurkrijt, een stift of een tennisbal? En wat was het budget? Iets duurs kon ik niet kiezen, want dan zou ik haar in verlegenheid brengen. Maar tegelijk moest ik ook niet de indruk wekken tevreden te zijn met een tol, als later zou blijken dat een stoommachine met hulpstukken ook tot de mogelijkheden had behoord. Groot probleem: schipperen tussen hebzucht en beleefdheid en bij voorkeur toch eruit halen wat erin zat. Na een half uur wikken en wegen kwam ik eindelijk met een mooie groene stift uit de speelgoedafdeling te voorschijn. Daar stond mijn tante al geduldig bij de toonbank te wachten met haar ingepakte fluitketel. Nu kwam het erop aan. Ik liet de groene stift zien die ik stevig in mijn knuistjes had geklemd. Er verscheen een glimlach op haar lippen. Als ik die stift wilde, kreeg ik die, zei ze - maar dan mocht ik nóg wat uitzoeken.

Ik was alweer blij teruggerend toen ik erachter kwam dat er een nieuwe probleem was ontstaan. Die ene stift was blijkbaar te bescheiden geweest, maar wat kon erbij? Nóg een groene stift? Toch maar dat kladblok? Ik besloot het er met een doosje kleurkrijt op te wagen. Gemoedelijk nam tante het doosje in ontvangst, legde het naast de stift, en zei toen tot mijn verbijstering dat ik nóg wat mocht uitzoeken. Ik kon mijn geluk niet op, maar ik wist ook niet meer waar ik het zoeken moest. Dan toch maar de tennisbal erbij. Nu, tante zag wel dat dit een heel bijzondere tennisbal was en dat ik die graag wilde hebben. Ze legde hem naast de stift en het kleurkrijt, zei dat ik nóg wat mocht uitzoeken en babbelde rustig verder met de verkoopster. Ik werd gek, en overmoedig. Als het zo gemakkelijk ging, dan konden die knikkers er ook nog wel bij. En ja hoor, ook de knikkers werden bij de kassa gelegd. En nu mocht ik van haar tot slot nog één ding uitzoeken.

Langzaam begon tot mij door te dringen dat ik de zaak verkeerd had aangepakt. Maar vooral: dat ik niet meer terug kon. Ik kon nu niet naar de toonbank lopen en zeggen: “Lieve tante Jos, nu de zaken er zo voor blijken te staan, zou ik wel op een ander concept over willen stappen. Ik zou voor willen stellen al die prutscadeautjes weer terug te leggen en in te ruilen voor die ene prijzige roodbruinlederen voetbal, opschrift ”Arsenal', die daarboven in het vak naast de Dinky Toys ligt. En dan lullen we verder nergens meer over.” Dat kon natuurlijk niet, daarvoor was ik te blij geweest met wat ik al had mogen uitkiezen. Ik zat vast aan het bloemlezingsconcept, dat was duidelijk, en besloot in arren moede dan toch maar het weliswaar lekker ruikende, maar saaie kladblok aan mijn selectie toe te voegen.

Ik moest overgelukkig zijn, maar toch schortte er iets aan: ik was in grote verwarring en doodop van het wikken en wegen. De cadeaus werden ingepakt. Het liefst had ik nog het grote plakbandapparaat gehad. En dan zo'n mooie grote rol pakpapier erbij. Dan kon ik thuis iedere dag speelgoedwinkel spelen. Als ik zelf maar nooit meer hoefde te kiezen.

En nu nog even een gedicht. Het is van de dichter Jan Hanlo. Het is een opsommingsgedicht: een vader vraagt zijn zoon wat hij zou willen hebben, en natuurlijk geeft de zoon geen antwoord:

Wat zal ik voor je kopen, zoon?

Een kat? een sterfelijke witte muis? een wát?

Een vriendje uit de Oriënt? een slaaf?

Een zwarte raaf uit Duitsland? of een rat?

Een hond die goed gezond is? of een fluit?

Een mandolien in hoes? of een machien?

Een wereldbol? misschien een wiel?

Misschien een bombazijnen bloes?

Of het profiel van Dante?

Het is een vreemde lijst. Het profiel van Dante? Kees Fens schreef eens dat Dante ”misschien wel het mooiste profiel uit de Europese literatuurgeschiedenis' had, maar dat kan ik er niet aan afzien. Geef mij maar het profiel van een ei, een ongevraagd reuzenscharrelei. Of het profiel van een roodbruinlederen voetbal, opschrift ”Arsenal'. Misschien ligt hij er nog, in het vak naast de Dinky Toys, op de derde plank van boven, achterin de speelgoedafdeling van de firma Strengers.