Werkloosheid neemt EG in wurggreep

De EG-staatshoofden en regeringsleiders buigen zich maandag en dinsdag in Kopenhagen over de plaag van de Europese werkloosheid die in 1994 de 12 procent kan overschrijden. Aan studies over dit complexe probleem bestaat geen gebrek, hetzelfde geldt voor de goede voornemens van politici. Toch speelt op de achtergrond een angstige vraag: is er wel een echte oplossing?

ROTTERDAM, 18 JUNI. “De werkloosheid bereikt weliswaar de drie miljoen, maar de inflatie is omlaag en dat telt”, kon de Britse minister van financiën Norman Lamont vorig jaar nog ongestraft uitroepen. Nu mort de ex-minister op een achteraf-bankje in het Lagerhuis en zal zijn opvolger Kenneth Clarke zulke woorden niet snel in de mond nemen. Dit voorjaar werden de Franse socialisten weggevaagd bij parlementaire verkiezingen waarin een werkloosheidspercentage van bijna 11 centraal stond. Eerder deze maand overkwam de Spaanse socialisten van premier Felipe Gonzalez op een haar na hetzelfde. In Spanje zit eenvijfde van de bevolking zonder werk. In westelijk Duitsland, waar skinheads zich steeds schaamtelozer uitleven, nadert de werkloosheid de 10 procent. Voeg daarbij het Oostduitse werkloosheidscijfer van 15 procent alsmede de honderdduizenden migranten en asielzoekers, en het wordt duidelijk dat de reële werkloosheid bij de oosterburen de 10 procent allang moet hebben overschreden.

En dan Nederland, dat afgelopen april nog een opvallend compliment kreeg van The Economist, omdat de werkloosheid hier (toen nog 5,8 procent) zo gunstig zou afsteken bij die van de rest van Europa. Daar staat tegenover dat de zwaartekracht van de Duitse economie zich hier nu in snel tempo laat voelen. En het Britse blad miste de optische illusie waarmee de Haagse politiek in de jaren tachtig een minder florissante werkelijkheid wist te verdoezelen. “Wij hebben in Nederland werkloosheid bestreden door de arbeidsparticipatie te verlagen”, licht de Utrechtse socioloog prof.dr. Hans Adriaansens toe. “Door 57,5 jarigen niet meer te laten solliciteren, door de Vut te creëren en door honderdduizenden oneigenlijk in de WAO te lozen hebben wij ervoor gezorgd dat hele massa's niet meer meetelden. Dat is de grote paradox van het sociale beleid van de laatste tien jaar.” De jongste parlementaire enquête vormt één lange ondersteuning van deze stelling.

Geconfronteerd met een schrikwekkende realiteit is een eerste algemeen menselijke reactie vaak de ontkenning. Struisvogelpolitiek, zo gezegd. Dat gold tot voor kort ook voor de Europese houding tegenover het gebrek aan werkgelegenheid. Nu niet meer. Want door toenemende sociale spanningen en de politieke gevolgen daarvan wordt anno 1993 de druk groter om tot een snelle aanpak te komen van de werkloosheid die nu een onheilspellend Europees gemiddelde van 11 procent nadert en in 1994 de 12 procent kan overtreffen.

Pag.10: Werkloosheid wordt tijdbom EG

Dus entameerden illustere instituten als de Internationale Arbeidsorganisatie (Ilo) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) nieuwe werkloosheidsstudies, terwijl dit maatschappelijke euvel aanstaande maandag en dinsdag prominent zal figureren op de EG-top in Kopenhagen.

Naar verluidt zullen de suggesties aldaar variëren van lastenverlichting voor ondernemers en meer flexibele werktijdopties, tot een prikkelender en actiever arbeidsmarktbeleid. Wat geen overbodige luxe lijkt. Want van de 2,3 procent van het bruto-Europese produkt dat aan werkloosheid wordt gespendeerd, gaat tweederde naar passief onderhoud van de werklozen - die daardoor in rap tempo van de arbeidsmarkt vervreemden - en slechts eenderde naar actieve werkgelegenheidspromotie; zoals training, omscholing, gerichte bemiddeling, jongerenprogramma's. Maar zijn dat afdoende oplossingen voor deze complexe en tegendraadse problematiek?

De Europese arbeidsmarkten waren niet altijd zulke internationale achterblijvers. Pas in de vroege jaren tachtig overtrof de werkloosheid in de EG die in de VS. Maar wetenschappers en politici kunnen nog altijd niet overtuigend uitleggen wat hier de afgelopen twintig jaar fout ging. “Er zijn heel wat plausibele verdachten en rokende kanonnen”, aldus professor Charles Bean van de London School of Economics, “maar heel weinig harde bewijzen.”

Commentator Samuel Brittan van de Financial Times suggereerde onlangs zelfs dat het huidige "macro-economische milieu' met zijn nadruk op begrotingsdiscipline en inflatiebestrijding een onoverkomelijke barrière is geworden voor de oplossing van het het werkloosheidsprobleem. Terwijl de werkloosheid na elke economische cyclus immers op een hoger peil blijft hangen, komt de inflatie op steeds lagere niveaus uit, aldus Brittan. Dus weg met de inflatie-angst, en lang leve de Keysianen en hun conjunctuur-stimulerende begrotingstekorten van weleer? Dat Keynes volgende week door de EG-leiders in Kopenhagen tot hernieuwde messias wordt uitgeroepen, lijkt ondenkbaar.

Blijft natuurlijk het feit dat de rijke, industriële landen al heel wat ervaring hebben met cyclische economische crises plus de begeleidende werkloosheidsuitwassen. Zij kampten er in het begin van de jaren zeventig en tachtig ook mee. En steeds weer kwam er na de regen onvermijdelijk zonneschijn. Geeft de crisis van de jaren negentig mèèr reden tot zorg?

“Ja”, antwoordt Andrew Chapman, adjunct-hoofd van het directoraat-generaal werkloosheid van de Europese Commissie in Brussel. “Wij constateren dat de werkloosheid steeds structureler en permanenter wordt en zich na elke recessie op een hoger niveau stabiliseert. De gemiddelde Europese norm verschoof van 2 à 3 procent tijdens de hoogconjunctuur van de jaren zestig, naar 4 à 6 procent in die van de jaren zeventig, en naar 8 procent tijdens de upswing van de latere jaren tachtig. En het zou me niet verbazen als we tijdens de verwachte economische opbloei in de latere jaren negentig op een werkloosheidspercentage van 9 of 10 blijven zitten. Wat er op duidt dat er iets structureel fout is met onze economie en arbeidsmarkt.”

Opvallend is ook hoezeer Europa achter raakt bij de VS en Japan. Nadert de gemiddelde werkloosheid in de EG nu de 11 procent, de VS kwamen tijdens hun recente recessie nooit hoger uit dan 7,5 procent en zitten nu weer op 6,9 procent, de Japanners op nauwelijks 3 procent. Tegelijk werkt van de bevolking tussen 15 en 65 jaar in de EG slechts 60 procent, in Japan 67 procent en in de VS 73 procent. Ook het aantal langdurig of structureel werklozen is in de EG verreweg het grootst. In landen als Nederland, Duitsland en Spanje was in 1991 de helft van de werklozen langer dan een jaar zonder werk; in België, Italië en Ierland zelfs tweederde. Ter vergelijking: in Japan blijft maar 18 procent van de werklozen langer dan een jaar zonder baan en in de VS slechts 6 procent.(!)

Er moeten in een land als Amerika dus sterke prikkels zijn om snel en actief - om niet te zeggen: koortsachtig - naar nieuw werk te speuren. Welnu, die zijn er ook. In de VS verliest het gros van de werklozen na 26 weken elke uitkering. In Europa zijn die niet alleen genereuzer maar ook langlopender of zelfs permanent. Tegelijk kunnen Amerikaanse werkgevers veel gemakkelijker mensen aannemen of ontslaan door de grotere loonflexibiliteit en een vrijere arbeidsmarkt. Is Amerika dus het grote voorbeeld voor de "verweekte' en "verstarde' Europeanen?

Econoom Andrew Chapman van de Europese Commissie waagt dat te betwijfelen. “Weliswaar wisten de VS in de jaren tachtig meer dan eens zoveel nieuwe banen te scheppen als de Gemeenschap, maar dat betrof voor een groot deel laagbetaalde deeltijdbanen. En de reële beloning van de modale Amerikaan steeg de laatste twintig jaar half zo snel als die van de Westeuropeaan. En het reële loon van Amerika's laagst betaalde 10 procent daalde over die periode zelfs met 30 procent. Daardoor zie je een verarmde onderklasse ontstaan en dat is een geen aantrekkelijk sociaal perspectief.” Experts van de Oeso, die halverwege een tweejarig onderzoek naar het werkloosheidsprobleem zijn, blijken er evenmin van overtuigd dat verlaging van de minimumlonen, meer loonflexibiliteit en een liberaler arbeidswetgeving per definitie wondermiddelen zijn. “Er zijn grenzen aan de mate waarin lonen neerwaarts kunnen worden bijgesteld in onze samenlevingen”, aldus een zegsman van deze Parijse organisatie. “Zou het in West-Europa haalbaar zijn om in deze tijden van algemeen kiesrecht overlevingslonen uit te betalen zoals in de Victoriaanse tijd? Ik denk het niet.”

Dr. H.A. van Stiphout, directeur van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (Osa) in Den Haag, ziet nog een nadeel kleven aan al te depressieve loonniveaus. Hij zegt: “De arbeidskosten bleven in de jaren zeventig en tachtig in de VS achter bij die in Europa en dat leidde daar tot een vertraging van de technologische ontwikkeling. Dit gevaar dreigde ooit ook in Nederland en de loonexplosie van 1962/63 werd mede ingegeven door het besef dat wij technologisch achterop dreigden te raken.”

Tot slot blijft er het feit dat Groot-Brittannië onder Margareth Thatchers hoede wel de meest flexibele lonen en liberale arbeidsmarkten van West-Europa kreeg, maar op het punt van werkgelegenheid toch hoogst matig blijkt te presteren - matiger althans dan meer gereguleerde landen als Nederland en de Scandinavische landen. Dus: eenvoudige oplossingen zijn er blijkbaar niet.

Wie wil, kan wellicht troost putten uit de omstandigheid dat diepe zorgen over werkgelegenheid door de economische wereldgeschiedenis heen weerklonken en door onvoorziene ontwikkelingen ook steevast weer verdampten. Waarom? Omdat veel sombere prognoses berusten op onjuiste vooronderstellingen, bij voorbeeld dat de totale produktie een gefixeerde grootheid zou zijn, waardoor werknemers automatisch op de afvalhoop belanden zodra er minder van hen nodig zijn om die produktie te bereiken. Daar komt bij dat het verdwijnen van bestaande banen zeer zichtbaar is terwijl het ozo moeilijk voorstelbaar is welke nieuwe banen zich over dertig jaar zullen aandienen.

In de zeventiende eeuw beraamde James I van Engeland al plannen om overtollige agrariërs af te voeren naar Newfoundland. De monarch had immers geen notie van de industriële revolutie die later de groeiende surplussen aan agrariërs zou absorberen. In Nederland werkte begin vorige eeuw nog een meerderheid van de bevolking in landbouw en visserij. Dat daalde naar 30,8 procent in 1899, 20,6 procent in 1930, 10,7 procent in 1960 en slechts 4,2 procent nu. Toch is dat minuscule restant inmiddels zo produktief geworden dat het zijn produkten over de halve wereld verkoopt en dan nog vlees- en boterbergen, mest- en melkmeren achter laat.

Een goed deel van de overtollige agrariërs vond werk in de stedelijke industrieën. Begin vorige eeuw werkte daar een fractie van de Nederlandse werknemers, in 1899 23,5 procent en in 1960 zelfs 30,7 procent. Daarna ging het door spectaculaire efficiëntieverbetering en sanering als gevolg van internationale concurrentie snel bergafwaarts. Nu is nog maar 18 procent van de Nederlandse werknemers actief in de industrie, al produceert dit aantal door de technologische progressie veler malen meer dan het grotere contingent dat er kort na de oorlog werkte.

Wat gebeurde er met al die overtollige agrariërs en industriële arbeiders? Zij schoven door naar de expanderende dienstensectoren waar in 1960 nog maar 34 procent van de Nederlandse werknemers z'n brood verdiende tegen 65 procent nu. Spectaculair was de verschuiving in een stad als Amsterdam waar in 1950 nog 40 procent van de mensen in de industrie werkte en nu 12 procent. Zo bleven de arbeidsmarkten in Nederland en overig West-Europa de afgelopen eeuwen onderhevig aan permanente revoluties die massale ontworteling en tragedie veroorzaakten, maar uiteindelijk hebben geleid tot een explosie van welvaart en hopelijk ook welzijn.

Blijft de onheilspellende vraag of technologische vooruitgang, die in landbouw en industrie zo'n formidabele uitstoot van arbeid heeft ontketend, uiteindelijk ook in de dienstensectoren zal toeslaan. Deze verwachting vormt tegenwoordig de kern van menig "doomsday-scenario'. De "diensteneconoom' prof.dr. Mark de Jong van de universiteit van Amsterdam vreest inderdaad dat de alom groeiende efficiëntie ook de dienstensector zal raken. In de bank- en verzekeringssector bij voorbeeld, waar massa's banen zullen worden "weg-gecomputeriseerd'. Dat blijkt uit navraag bij ABN-AMRO, ING en RABO. Allen voorzien zij na de spectaculaire personeelsgroei in de jaren tachtig in de verdere jaren negentig een teruggang met duizenden arbeidsplaatsen, vooral in de back-office sfeer.

Toch is er, volgens prof. De Jong, geen reden tot overmatige somberheid. “Wie bij een bank of verzekeringsmaatschappij routinewerk verricht en niet in aanraking komt met klanten, heeft inderdaad reden om de computer te vrezen”, vertel hij. “Maar daar staat tegenover dat het verlies van werk in de back-office sfeer ruimschoots zal worden gecompenseerd door front-office werk, aan de loketten en in het directe contact met klanten. De groei van de doelmatigheid in de dienstensector zal namelijk worden gebruikt om de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen”. Hij noemt een voorbeeld uit het grootwinkelbedrijf: “Eerst was het in zaken als Albert Heijn allemaal zelfbediening wat de klok sloeg. Nu zie je in de supermarkten weer bemande winkeltjes opkomen. Minder produktief, maar wel lucratief want het spoort met de wensen van de klant.”

Blijft de hamvraag hoever de uiteindelijke absorptiecapaciteit van de dienstensector reikt. “De smaken en behoeften van mensen zijn oneindig uit te breiden”, aldus Ronald Kutscher, sous-chef van het Amerikaanse Bureau of Labor Statistics. “En de invulling daarvan levert een oneindige hoeveelheid werk op. In theorie kan iedereen er zijn egen psychiater op na houden.” Prof. Mark de Jong oordeelt: “Nederland en Engeland hebben in Europa de grootste dienstensectoren waar ongeveer 65 procent van de mensen werkt. In de VS zitten ze al op 72 procent en de groei gaat nog steeds door, wat logisch is want naarmate de mensen meer inkomen en vrije tijd krijgen, groeit hun behoefte aan dienstbetoon. Wie weet komen we uit op 90 à 95 procent.”

Toch spoort deze mooie theorie van de vrijwel onbeperkte werkgelegenheid in de dienstensector vooralsnog niet met de grillige realiteit. Die laat zien dat het aantal structurele werklozen eerder groeit dan afneemt. Econoom Andrew Chapman van de Europese Commissie biedt daarvoor een verklaring die straalt door haar eenvoud. Tijdens de hoogconjunctuur van 1985 tot 1990, legt hij uit, groeide de werkgelegenheid in de EG jaarlijks met 1,5 procent waardoor 9 miljoen nieuwe banen werden geschapen. Toch daalde de werkloosheid slechts van 11 procent in 1985 tot 8 procent in 1990. Waarom? Omdat ongeveer tweederde van de nieuwe banen werd ingenomen door vrouwen, die voorheen nooit aan het arbeidsproces deelnamen en voor werkgevers blijkbaar aantrekkelijker zijn dan 'gestigmatiseerde' langdurig werklozen. Dus zou deze inhaalbeweging van de Europese vrouwen op de Europese arbeidsmarkten - in 1990 werkte nog maar 43 procent van hen, tegen 50 procent van de Japanse en 60 procent van de Amerikaanse vrouwen - voor een belangrijk deel de hoge omvang van West-Europa's structurele werkloosheid verklaren.

Maar er blijft een probleem. Ook in de VS, waar de vrouwenparticipatie op de arbeidsmarkt allang hoog is en de economie weer aardig aantrekt, wordt tegenwoordig steen en been geklaagd over achterblijvende groei van de werkgelegenheid, over een verbreking van de band tussen economische groei en banengroei.