Waar zijn toch de meisjesboeken gebleven zoals ze ...

Waar zijn toch de meisjesboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en gellustreerd? NRC Handelsblad nodigt deze zomer een aantal auteurs uit op zoek te gaan naar het klassieke meisjesboek en er zelf een hoofdstuk van te schrijven. Vandaag als eerste Rita Kohnstamm.

HOOFDSTUK 1: Prélude

"Zou je 't nou wel doen?” had moes nog gezegd. Maar oh wat was ze blij dat ze had dóórgezet. En de dokter zei dat het mócht. Hij had wel gemerkt dat ze zich na drie maanden ziek-zijn begon te vervelen. “Als het mooi weer is”, zei hij, “dan moet je maar eens naar de stad gaan, een kijkje nemen op je school.”

En daarom stond ze nu hier op de bushalte, want het wàs mooi weer vandaag. Zalig was het in de zon. En zalig om weer naar school te gaan. Nou ja, idioot natuurlijk, maar zo voelde het wel. Weer een beetje gewoon te zijn als alle anderen.

Moes was wel èrg bezorgd. Maar ze was ook een schat en ze had natuurlijk in angst gezeten toen zij zo hard ziek was. Ze waren toch maar samen. Ja, papa was gekomen vanuit de Rivièra. Tien jaar lang alleen met haar verjaardag een briefje met een cheque. Maar toen hij dacht dat ze dood kon gaan stond hij opeens naast haar bed. Ze had het alleen maar akelig gevonden. En ze ging ook niet naar hem toe om aan de Middellandse Zee verder aan te sterken. Moes en hij konden nog zo aandringen, ze dééd het niet. Als je zestien was mocht je zoiets toch zeker zelf beslissen.

Nou moest ze daar verder ook niet meer over denken, want dadelijk ging ze nog huilen ook. Terwijl het net allemaal zo heerlijk was. Als ze beloofde iedere middag te rusten mocht ze zelfs over drie weken naar het lentebal. Volgende week ging ze met moes stof uitzoeken voor een jurk. Maar Riek had gezegd dat ze pas drie dagen voor het bal kwam om te naaien. “Want je moet flink dikker worden Juultje”, had ze gezegd. “En dan pas je niet meer in een japonnetje dat ik nu maak.” Riek was óók een schat.

Straks zou ze zo maar binnenlopen in de klas. Gek idee. Zouden ze erg veranderd zijn? Alleen Claartje was regelmatig langs gekomen, nou ja, die woonde ook in hetzelfde dorp. En dat was natuurlijk niet zomaar een vriendin, meer een zusje. Claar zou altijd haar vriendin blijven. Daarom vond ze het ook niet zo erg dat ze dit jaar bleef zitten.

Wel jammer van haar eigen klas. Ze hadden haar alle veertien geschreven toen ze in het ziekenhuis lag. Zelfs Willemien, aan wie ze zo'n gruwelijke hekel had. Aanstellerige nuf. Je kon haar niet nijdiger maken dan door haar Mientje te noemen. Spin werd ze dan, want dat vond ze ordinair. Idioot wicht. Zij vond het juist leuk als iemand haar Jaantje noemde. Claartjes vader zei dat soms, met iets heel liefs in z'n stem. Thijs had wel acht brieven geschreven. 't Was maar goed dat ze op die laatste boos had teruggeschreven. Nota bene van plan geweest om te zorgen dat hij ook bleef zitten. Thijs, die zo dolgraag archeologie wilde studeren. Maar altijd die geldzorgen van zijn ouders. Een beurs was het enige. De kans daarop was natuurlijk verkeken als je bleef zitten. Hij leek wel gèk en dat had ze hem geschreven ook. Het was bar lastig dat hij zo verliefd was.

Oh ja en dan die nieuwe jongen die na de kerstvakantie in de klas was gekomen. Ze was eerlijk gezegd wel nieuwsgierig. Hij was al wat ouder en Willemien vond hem "zeer interessant'. De jongens hadden er allemaal over geschreven dat hij het schaatstoernooi had gewonnen. Volgens Bets had hij prachtige ogen, maar Marte schreef dat je die helemaal niet goed kon zien, want dat hij een bril droeg.

Daar kwam de bus. Hè, ze had hier nog best wat langer willen blijven staan, zo met haar gezicht naar de zon.

Achterin de klas bij het raam zit Geert onderuit gezakt in de bank. Hij doet geen moeite te verbergen dat hij niets doet, alleen maar denken. Ik hou het hier niet uit. Laatste kans, jawel. Dan maar geen kans. Vader vond dat hij dankbaar moest zijn dat ze hem hier nog wilden accepteren nadat hij op twee scholen was weggestuurd. “Met begrip voor uw huiselijke omstandigheden” hadden ze geschreven. Fraaie omschrijving voor “Moeder in een inrichting”. Maar hij bleef hier niet tussen dit grut. Spraken al weken lang over niks anders dan dat bal, wat natuurlijk een slome bedoening was en om twaalf uur, twáálf uur, afgelopen moest zijn. En nu waren ze weer opgewonden omdat die Julia vandaag zou verschijnen. Juliana Schuijt van Everdingen. Waarschijnlijk weer zo'n keurig kind. Het waren allemaal nog kinderen in deze klas. Nou ja, Willemien. Dat was een vlotte meid. Deed niet moeilijk als je eens wat meer dan aanhalig werd. Die wijnhandel van haar vader had trouwens ook iets aantrekkelijks. Als schoonzoon in de zaak? Geen gek idee. Vader zou het besterven als hij dat hoorde. Die had nog steeds de illusie dat hij medicijnen zou gaan studeren en de praktijk zou overnemen. Wanneer zou hij nu eens begrijpen dat dat er niet in zat. Begreep vader ooit iets van hem? Zou moeder hem beter begrepen hebben? Nee, niet verder denken. Alsjeblieft zeg. Nièt in de klas! Niet die beelden oproepen die de laatste tijd steeds vaker zich opdringen en melancholiek maken. Moeder die samen met hem - hoe oud was hij? zes, zeven misschien - hoog op de schommel zwaait en hem ondertussen leert fluiten. Die schaterend met hem in het zwembad springt, zodat hij helemaal vergeet om bang te zijn. Die hem zingend schaatsen leert. Nee, ophouden!

Júúúl! joelt de klas. Geert kijkt op en ziet iets binnenkomen dat hij niet had verwacht. Geen kind meer. Geen keurig meisje. Het flitst door hem heen: te mager, groene ogen, mooie mond, zéér aantrekkelijk, maar dat weet ze nog niet. Misschien moest ik het toch maar zien vol te houden tot de zomervakantie.

Het is pauze. De klas zit op de trappetjes van het plantsoen achter de school. Hun vaste plek. Ze zijn op een tevreden manier melig, want weer compleet. Nu pas voelen ze hoe Juul werd gemist. Ze zit tussen de tweeling Bas en Huub, die haar boterhammen met kaas proberen te voeren. Thijs kijkt toe. Lief, kan hij alleen maar denken, wat is ze toch lief.

Een leven zonder Juul is voor hem onvoorstelbaar. Ze zaten op de lagere school al bij elkaar in de klas. Maar sinds vorige zomer is ze voor hem meer dan de vanzelfsprekende schoolkameraad. In het zwembad. Juul hoog op de plank, klaar om te duiken. En opeens ziet hij haar met andere ogen. Verward en onhandig laat hij haar die avond zijn verliefdheid blijken, maar Juul weert af. Thijs, nee, doe niet zo mal, we zijn toch vrienden. Dat moet je niet bederven.

Maar in zijn toekomstdromen houdt hij haar hardnekkig gevangen. Ik had dat niet moeten schrijven van dat blijven zitten. Gelukkig is ze niet echt kwaad. Maar hoe moet het als ik volgend jaar van school ben. Dan zie ik haar niet meer iedere dag. Maar ik kan haar afhalen. Helpen met huiswerk, met het examen. En dan komt ze ook naar Leiden. Natúúrlijk komt ze ook studeren. En dan...

“Je bent moe hè. Dat kan ik zien.” Een warm-strelende stem doet Thijs opschrikken uit zijn gemijmer. Hij ziet Geert gebogen staan over Juul. En hoe Juul naar hem opkijkt, met iets innigs. “Ja, Juul, tijd voor een middagslaapje”, hoort hij dan Willemien's snerende stem. “Voor een beautysleep, denk ik”, zegt Geert koel. En dan tegen Juul: “Kom, dan breng ik je achterop de fiets naar de bus.” Hij trekt haar omhoog en ze lopen weg.

“Is dit een ontvoering soms?” bromt Huub. “Verliefd noem je zoiets”, zegt Marte. Claartje kijkt verschrikt. Wat doet Juul nou? Dan ziet ze Thijs. Hoe de dikke ader bij zijn slaap heftig klopt. Ze legt een hand op zijn schouder. “Kom”, zegt ze, “'t is tijd, we moeten naar binnen.”

Juul zit soezerig in het zonlicht dat door het stoffige raam van de bus gefilterd naar binnen komt. Ze is moe, loom, tevreden en nog iets, iets waarvoor ze geen woord kan bedenken. Het is allemaal zo vreemd. Ze probeert zich te herinneren hoe het nou toch ook weer ging. Ze liepen naar het fietsenhok. “Zul je achterop niet in slaap vallen?” zei Geert. “Ik zal je in ieder geval maar goed vasthouden.” En met één hand sturend en één hand om haar schouder zijn ze weg gereden. “Wat doe ik nou?” had ze nog even gedacht, “ik heb ze niet eens goeiendag gezegd.” Maar toen was het lieve, warme, vreemde gevoel gekomen. Bij de halte had Geert gezegd: “Ik laat je niet alleen gaan, ik breng je thuis.” Ze had nog geprotesteerd: “Je moet toch naar Engels.” Hij lachte: “Ik heb nog nooit zo'n prachtsmoes gehad om te spijbelen.”

En nu zitten ze hier samen. Even schrikt ze op. Wat zal moes wel niet denken. Maar dan is alles weer vreemd-heerlijk.

Idee: Frank Dam en Henry Cannon