Totale verblinding oorzaak gruwelen in ex-Joegoslavië

Vuk Draskovitch, Le Couteau. JC Lattès, Parijs 1993. 333p. ISBN 2-7096-1259-3 135FF (ongeveer 50 gulden)

Waarom de wereld niet zo erg warm loopt om te protesteren tegen de hechtenis en molestatie van Servië's voornaamste oppositielieder, Vuk Draskovic, is wel duidelijk: je kunt je afvragen of Draskovic, met zijn gewapende aanhang en voortdurende toespelingen op een putsch, wel zo'n geweldige democraat is. En of hij - misschien nog wel belangrijker - een principieel tegenstander is van de moordende nationalistische oorlogen die sinds twee jaar ex-Joegoslavië teisteren, is ook nog zeer de vraag. Draskovic' stellingname tegen de oorlog - zijn vrouw Danica heeft met typische Servische onbesuisdheid verklaard dat haar Vuk wel aan de moslim-kant zou willen vechten - is ook slechts iets van de laatste maanden, sinds duidelijk is dat die oorlog voor Servië heel slecht dreigt af te lopen en er dus alle reden bestaat tegenstander president Slobodan Milosevic die misère in de schoenen te schuiven.

Wie wil weten wat voor man Vuk Draskovic is, en niet het Servokroatisch maar wel het Frans machtig is, kan zich daarvan sinds kort een voorstelling maken. Draskovic' roman Het mes uit 1980 is namelijk vertaald, een boek dat destijds veel sensatie veroorzaakte en aanvankelijk slechts onder de toonbank werd verkocht, omdat het handelde over een latent, voor veel Serviërs buitengewoon belangwekkend onderwerp, dat in communistische tijden met de mantel der liefde en vergetelheid moest worden bedekt: de slachtingen onder Serviërs door Kroaten en moslims, bedreven in de tijd van de fascistische vazalstaat "Onafhankelijke staat Kroatië', door de zogenoemde ustasi.

Het mes lijkt geen groot literair meesterwerk, eerder een flauwe imitatie van de werken van de grote literaire beschrijver van Bosnië, Ivo Andric. Uit documentaire overwegingen is het boek echter buitengewoon boeiend - niet alleen om wat het vertelt over de historische verhoudingen in Bosnië-Herzegovina, een van de bronnen van de thans bedreven gruwelen, maar vooral om wat het boek duidelijk maakt over de manier waarop de woede over het verleden, aan Servische kant, anno 1980 werd herontdekt, om vervolgens te groeien tot de huidige, afschuwelijke proporties.

Het mes is het verhaal van een Servische jongen die kort na zijn geboorte in 1941 een door moslims aangerichte bloedige en wrede slachting van een naburig Servisch dorp overleeft. Hij wordt door de moslims naar hun eigen dorp meegenomen en komt terecht bij een vrouw daar haar eigen baby verliest in een soortgelijke slachting van moslims door cetnici (Servische royalisten). Zij neemt de Servische boreling op als was het haar eigen kind, en voedt hem op als moslim, hem onkundig latend van zijn herkomst.

Als student in Sarajevo in de jaren zestig gaat de hoofdpersoon, lijdend aan een onbestemd mal de vivre, echter op zoek naar zijn oorsprong en ontdekt de waarheid. Zijn voornaamste bron daarvoor is een oude moslim-dorpeling, die zonder de waarheid te verzwijgen, niettemin de boodschap met enkele naar mijn inzicht behartigenswaardige lessen gepaard doet gaan: dat de categorieën "Serviër' en "moslim' een hoge mate van toevalligheid hebben, omdat vijf eeuwen geleden zelfs binnen één familie sommigen zich vanuit het christendom lieten bekeren en anderen niet, en dat de verblinding waarin in 1941 (en vele malen daarvoor) gruwelen werden begaan verbroken dient te worden, omdat anders steeds weer mensen elkaar in Bosnië-Herzegovina zullen blijven afslachten in een eindeloze spiraal van geweld en wraak.

Maar in hoeverre de auteur in 1980 van die wijsheid onder de indruk was, lijkt bij lezing nu op zijn minst de vraag. Naarmate ook zijn encyclopedische kennis van de ustasi-gruwelen toeneemt, groeit bij de hoofdpersoon de behoefte aan persoonlijke wraak jegens degenen die zijn ouders hebben afgeslacht en een moskee hebben opgericht in het Servische dorp waar hij eens is geboren. Tenslotte grijpt hij naar het mes uit de boektitel - want als je je vijand veracht is, zoals bekend, een kogel te veel eer.

In een maart van dit jaar gedateerde inleiding bij de Franse vertaling van Het mes probeert Draskovic duidelijk de dubbelzinnigheid van de roman zelf weg te nemen. “Het kwaad is een masker”, schrijft hij, “dat het Servische volk afgerukt moet worden”. Hij vertelt hoe zijn broer zich in Sarajevo in moslim-hechtenis bevindt, terwijl zijn schoonzus (een moslim) in een Servische gevangenis zit. Wat in 1980 een spannende onthulling van een historische werkelijkheid beoogde te zijn, blijkt in 1992 rauwe werkelijkheid. De vraag rijst dan natuurlijk of de auteur zelf dan niet beter de spoken in de kast had kunnen laten.

Feit is evenwel dat Draskovic in deze jaren een ontwikkeling heeft doorgemaakt, een stormachtige, emotionele ontwikkeling, vol nieuwe vrijheden en ook onlesbare dorst naar nieuwe glorie. Hij is daarin niet de enige, veel Serviërs (en andere volkeren in Joegoslavië) hebben na tientallen jaren socialistische domper het avontuur van de nieuwe vrijheid beleefd, dat voorlopig collectief in de nachtmerrie van oorlog en armoede is geëindigd. De geschiedenis heeft nu eenmaal geen pasklare antwoorden gereed voor al die Oosteuropeanen die binnen een paar jaar geacht worden hun hele levenstijl, gedachtenwereld en zekerheden voor een onzekere toekomst in te wisselen.

Misschien zijn het juist al die contradicties en veranderingen van koers, die Vuk Draskovic typisch en in zekere zin sympathiek maken, sympathieker in ieder geval dan de koele ex-communisten, wier politieagenten Draskovic en zijn vrouw vorige maand ernstig hebben mishandeld - volgens onbevestigde berichten vermoedelijk met permanente medische gevolgen. Draskovic, kortom, moet worden vrijgelaten.

    • Raymond van den Boogaard