Sport moet provoceren

Volgens Arthur Schopenhauer is aan gene zijde de wil vrij. Je zou denken dat deze gedachte vooral tennissers, volleyballers en tafeltennissers moet aanspreken, in die zin dat zij deze gedachte in hun spel tot uitdrukking brengen.

Deze sportlieden bevinden zich per definitie altijd aan deze zijde van het net. Hun tegenstander bevindt zich in het domein van het transcendentale. Hij is voorgoed onbereikbaar. Hoe regelmatig een tennisser ook wisselt van vak, de andere kant wordt nooit zijn kant. Deze vorm van sport brengt, juist door de formele aspecten waaronder zij wordt gerealiseerd, met zich mee dat de beoefenaar zich stelselmatig van gene zijde uitsluit. Dit moet een mens wel bitter stemmen en het zou mij dus niet verbazen wanneer genoemde sporten uiteindelijk tot een tragische vorm van pessimisme leiden. Maar die sportlieden zelf hoor je daar nooit over. Houden zij dus iets voor ons geheim.

Ik geloof dat men door de beoefening van de topsport ook heel goed Kantiaan zou kunnen zijn. Kant deprecieerde onze zintuigen. Wij kunnen de objecten van onze waarneming slechts kennen in de vorm waarin ze aan ons verschijnen, maar hun verschijningsvorm wordt gedicteerd door typische kenmerken van het menselijk brein. Zou een tennisser daar ooit bij stilstaan als hij de bal ziet overvliegen. De mens heeft een ontoereikend beeld van de tennisbal. De tennisbal an sich is voor de mens onkenbaar. Of neem de paradox van Zeno bij het betaalde voetbal. De weggeschoten bal staat op elk moment van zijn beweging stil en toch verplaatst hij zich. Het is deze paradox van de dieptepass die het werk van Harry Mulisch zo krachtig heeft benvloed. Maar beseffen onze professionele voetballers dat ook. Zijn zij de laatste representanten van een lange culturele traditie, waarin de mens geworsteld heeft met zijn plaats in deze wereld?

Ik zou van deze sportieve zaken niet zo'n probleem maken, ware het niet dat ik zo vaak moet horen dat de topsport met wetenschappelijke precisie wordt beoefend of onmiskenbaar artistieke kwaliteiten bezit. Men spreekt ook gemakkelijk van een balkunstenaar. Sinds Nico Scheepmaker er ooit de aandacht op vestigde, geldt dat Ajax het kunstzinnigste voetbal van Nederland of misschien wel van het universum speelt. En veel oefenmeesters beschikken over een filosofie. En zoals eertijds beeldende kunstenaars en geleerden de bescherming genoten van een vorstelijk patronaat, zo behoren thans voetballers tot de hofhouding van een welgesteld televisiemagnaat. Sport valt trouwens onder de minister van cultuur en in sommige landen onder de minister van religie. En er zijn benefietwedstrijden zoals er benefietconcerten zijn. Wat wil de sportman ons zeggen, welk idee of welke levensfilosofie brengt hij subtiel tot uitdrukking. Vaak hoor je dat een sportman na beeindiging van zijn actieve loopbaan in een zwart gat valt, maar is dat zwarte gat de uitbeelding van hoe hij het leven ziet?

Ik ben ervan overtuigd, dat de sportman als kunstenaar ons iets te zeggen heeft, maar ik vind het vaak zo moeilijk te achterhalen wat zijn boodschap is. Misschien schiet hier ook de sportjournalistiek te kort, die nauwelijks uitleg geeft bij wat ons wordt getoond. Het zou mij niet verbazen als er ook in de wereld van het betaalde voetbal mensen rondlopen die het idee tot leven willen wekken dat elke wedstrijd slechts een feilbare menselijke benadering is van de ware wedstrijd. De ware wedstrijd is niet te realiseren. Elke wedstrijd, zoals die in de tijd bestaat, is maar een menselijke benadering van een boventijds ideaal. Wij moeten leren leven met die gebrekkige benadering. Elke benadering is slechts een paradigma van voorlopigheid. Zo'n visie kan gemakkelijk leiden tot halstarrig relativisme, waarin de betrekkelijke waarde van ons culturele erfgoed ter discussie wordt gesteld. Een relativisme dat natuurlijk ook weer verontwaardigde reacties oproept. Is dat iets wat de sportman motiveert? Kunstenaars zeggen vaak ter rechtvaardiging van hun wanprestaties dat zij daarmee de burgerij een spiegel willen voorhouden. Dat is immers de opdracht van de kunst. Kunst moet choqueren. Daarom is het lelijke vaak nog niet lelijk genoeg. Ik vermoed dat ook menige balkunstenaar dat denkt. Sport moet provoceren. In de sport houdt de balkunstenaar de indolente en gezapige samenleving een spiegel voor. Ook, of juist bij het vertoon van een smadelijk verlies. Alle verlies is zo gezien een aanklacht. Dacht u dat een speler voor de aardigheid de bal verloor. Natuurlijk niet, hij wil daarmee iets zeggen over de vergankelijkheid van het balbezit, dacht ik. Er zijn vanzelfsprekend avantgardistische sportbeoefenaars maar ook natuurlijk behoudzuchtige en zelfs restauratieve, die terug willen naar classicisme van het begrijpelijke decoratieve, figuratieve van de sport. Dat zijn de figuurzwemmers en de ijsparen. Zij zijn niet goed.

Een groep die mij door haar levensfilosofie bijzonder aanspreekt zijn de pessimisten en aarzelaars. Zij die zich elke wedstrijd opnieuw afvragen wat de zin van de sport is. Wie is de graaf Leo Tolstoj onder de beroepsvoetballers, de man aan wie de twijfel meedogenloos heeft geknaagd en die uiteindelijk een schamele troost in de mystieke kracht van de sport vond. Ik dacht de heer Van Hanegem, als die naam u iets zegt.

Er moeten toch ook sportlieden rondlopen die het niet meer zien zitten, die al die opwekkende praatjes van hun coach beschouwen als ordinaire waan. Zulke artiesten hebben sucidale neigingen of dreigen te vervallen tot apathie als uitdrukking van hun levensernst. Dat zijn de mensen, van wie de krant bericht dat zij geen stap te veel zullen lopen, dat zij zich beperken tot de melancholieke rol van spelverdeler. Het zou mij niet verbazen als zij met een stuk touw onder hun reclameshirtje rondlopen om zich op het geëigende moment te verhangen aan de bovenlat. Als de sport iets tot uitdrukking wil brengen dan is het toch wel de uitzichtloosheid van het bestaan. Voordat de sportlieden optreden ligt de grasmat er prachtig en uitnodigend bij, zegt de commentator. Dan begint de ellende. Is dat niet typerend voor het optreden van de mens in deze wereld?

    • Jaap van Heerden