Patholoog-anatoom Gluckman wist hoe Steve Biko stierf; Alleen de waarheid is nog in leven

Nu onlangs in Johannesburg de meest vooraanstaande Zuidafrikaanse patholoog-anatoom, dr. Jonathan Gluckman, is overleden, ben ik na zestien jaar verlost van mijn belofte te zwijgen over diens rol in de onthulling van de waarheid omtrent de dood van Steve Biko in gevangenschap, ondanks pogingen van de toenmalige minister van justitie de zaak in de doofpot te stoppen.

Ik was pas hoofdredacteur geworden van de Rand Daily Mail, de prachtkrant die door de donkerste jaren van de apartheid heen haar kruistocht bleef voeren tegen de euvelen van het bestel. Het werd mijn eerste kennismaking met de dubbelplaag bestaande uit pressie van de regering en van onwelwillende uitgevers die mijn twee voorgangers al van hun post had verdreven en uiteindelijk ook mij zou verdrijven en tot de ondergang van de krant zou leiden juist voordat die zijn historisch gelijk zou krijgen.

Dr. Gluckman was een van de stille helden van Zuid-Afrika, een grote, gezette man onder wiens enigszins hoogdravende manier van doen een hartstochtelijke humanist schuilging die meer gevallen van misdadig onrecht in de openbaarheid heeft gebracht dan wie ook in de lange historie van rassenonderdrukking in dit land. Toen hij overleed, 78 jaar oud, werkte hij nog aan zaken waar hij de politie ervan verdacht mensen te hebben vermoord die in hechtenis zaten.

Hij hield er een elegante levensstijl op na en hield van uitgelezen Franse wijnen en goede sigaren. Ooit vroeg ik hem waarom hij, met zijn verfijnde smaak en medische expertise, er de voorkeur aan gaf zijn leven door te brengen met snijden in lijken in plaats van zieken te genezen. “Omdat daar de waarheid ligt”, zei hij zonder omhaal.

De waarheid was Gluckmans grote liefde, die hem ertoe bracht om me op de ochtend van 29 september 1977 op te bellen met het verzoek bij hem langs te komen. Biko was twee weken tevoren in de gevangenis overleden, en de minister van justitie, Jimmy Kruger, had bekendgemaakt hij was gestorven aan de gevolgen van een hongerstaking - met de toevoeging, die staat bijgeschreven in de annalen van apartheids barbarij: “Zijn dood laat me koud.”

Toen ik bij hem kwam, was Gluckman nogal geagiteerd. Hij was namens de familie bij de sectie aanwezig geweest, vertelde hij, en het was duidelijk dat Kruger loog. Hij liet me het sectierapport zien. Biko was overleden aan hersenbeschadiging. Bovendien moeten de artsen die hem in de gevangenis hadden onderzocht dat geweten hebben, want zij hadden een ruggemergpunctie laten verrichten die een overmaat aan rode bloedcellen had uitgewezen.

De kwestie was wat eraan te doen viel. Het stond als een paal boven water dat Kruger probeerde de zaak in de doofpot te stoppen, en hij had er ook al op gezinspeeld dat een gerechtelijk onderzoek wellicht niet nodig zou zijn. We moesten het nieuws publiceren om hem te dwingen een onderzoek in te stellen. Maar we moesten Gluckmans rol daarin verzwijgen, zowel om redenen van medische ethiek als omdat hij een hoofdgetuige zou zijn als er een onderzoek zou worden ingesteld. Dus beloofde ik geheimhouding.

Op de krant lichtte ik een ervaren verslaggeefster, Helen Zille, in en stuurde haar naar de artsen in Port Elizabeth die Biko in de gevangenis hadden onderzocht.

Zille sprak met de drie artsen. Hun schrik toen ze met de feiten werden geconfronteerd overtuigde ons ervan dat ze wel degelijk hadden geweten wat de gevangene mankeerde. Ze maakten misbaar, gaven op enkele vragen een half antwoord, en gebruikten vervolgens het eventuele gerechtelijke onderzoek als excuus om geen vragen meer te beantwoorden.

We bevonden ons dus in de netelige situatie dat we wel de feiten kenden maar geen duidelijke bron konden aangeven. Zille en ik formuleerden zorgvuldig een bericht dat aldus begon: “Een onderzoek door de Rand Daily Mail - waarbij onder meer is gesproken met de artsen die Steve Biko in de gevangenis hebben onderzocht - heeft uitgewezen dat de voorvechter van de zwarte beweging geen verschijnselen van een hongerstaking of uitdroging vertoonde.”

Het bericht luidde verder dat er volgens ons onderzoek aanwijzingen waren dat Biko aan hersenbeschadiging was overleden, en dat de feiten die wij hadden ontdekt in tegenspraak waren Krugers verklaringen. We publiceerden het bericht onder een paginabrede kop “Biko's artsen: "Niets wijst op hongerstaking' ”.

De volgende dag waren de rapen gaar. Kruger hield staande dat het sectierapport een falsificatie was en eiste een onmiddellijke hoorzitting van de Persraad, een orgaan dat door de Dagbladpers Unie (een organisatie van krantenuitgevers) was opgericht onder de dreiging dat premier John Vorster de pers zou breidelen als die geen “zelfdiscipline” betoonde.

Ik weigerde. Volgens de regels van de Persraad had een hoofdredacteur zeven dagen de tijd om te antwoorden op een klacht, en ik wilde me niet door intimidatie van Kruger laten dwingen tot een spoedzitting. Maar de hele dag lang werd ik, eerst door de voorzitter van de Dagbladpers Unie, toen door leden van zijn dagelijks bestuur en ten slotte door mijn eigen directeur, onder steeds zwaardere druk gezet om toe te geven. Zo niet, zeiden ze, dan zou Vorster dat aanvoeren als bewijs dat de Persraad onvoldoende gezag had en zou hij een perswet invoeren. Ik zou dan de invoering van een censuurwet op mijn geweten hebben.

Ten slotte ben ik bezweken. Die avond verscheen ik voor de Persraad, die optrad in de vorm van een rechtbank, onder voorzitterschap van een rechter in ruste, Oscar Galgut. Ik werd verdedigd door Sydney Kentridge, de uitmuntende pleiter die nu in Engeland "Queen's Counsel' is (lid van de hoge orde van advocaten.-vert.). Kruger had zijn klacht schriftelijk ingediend en nam niet de moeite te verschijnen.

Al snel na het begin van de hoorzitting werd duidelijk dat niet alleen een weigering om een spoedzitting te houden voor Vorster onaanvaardbaar was, maar vrijspraak eveneens. Dat we Gluckman niet als getuige konden dagen en evenmin konden citeren uit het sectierapport maakte het moeilijk een pleidooi op te bouwen, maar desondanks bleken ook Kentridges kernachtigste argumenten nauwelijks indruk te maken op Galgut. Vijf uur later, om een uur 's nachts, sprak de rechter zijn schuldigverklaring uit.

De krantekop werd niet door de feiten gestaafd, zei Galgut, en was daarom “misleidend en tendentieus”. Bovendien was het onjuist te beweren dat de feiten die uit het onderzoek van de krant naar voren waren gekomen in tegenspraak waren met wat Kruger had gezegd. De krant kreeg een ernstige berisping voor haar misstappen.

De geschiedenis heeft ons natuurlijk in het gelijk gesteld. Maar het vonnis staat nog in de archieven van de Persraad, en de krant is bezweken aan deze en duizend soortgelijke wonden die er in de laatste jaren van zijn bestaan aan werden toegebracht. Nu is ook Jon Gluckman niet meer. Alleen de waarheid is nog in leven.

    • Allister Sparks