"Ik sta liever te boek als zakenman dan als lafaard'

Staatssecretaris prof. In 't Veld maakte gisteravond zijn voornemen bekend ontslag te vragen aan Hare Majesteit de Koningin. “Ik verklaar hierbij dat ik mij (...) op mijn positie beraad, wat geloof ik de officiële formulering heet te zijn”, zo besloot hij de verklaring die hij aflegde voor de Commissie Onderwijs van de Tweede Kamer. Hier volgt een letterlijke weergave van de belangrijkste passages.

Mijnheer de voorzitter! Ik kan mij geen periode in mijn leven herinneren waarin mijn "output' zo gering was als in de afgelopen twaalf dagen. Het begon op zondagavond 6 juni met het eervolle verzoek van de heren Kok en Ritzen om toe te treden tot het kabinet. Bij het verzamelen van de papieren die nodig waren om althans een vervolg van die procedure mogelijk te maken, heb ik mij er onder andere nog eens van vergewist of mijn curriculum up to date was, en dat was het. Het gaat om een curriculum dat al maanden openbaar was, dat in talloze congresbrochures opgenomen was geweest en dat door mijn logistiek manager, zoals dat heet op mijn vakgroep, aan ieder die het wilde hebben ter beschikking werd gesteld. In dat curriculum, dat op 7 juni naar de Rijksvoorlichtingsdienst werd gestuurd en vanaf dat moment ook door de Rijksvoorlichtingsdienst aan ieder die het wilde hebben ter beschikking werd gesteld, zijn alle nevenfuncties aangegeven die in diverse publikaties sindsdien gereleveerd zijn, inclusief die van directeur van B.V. Bestuurskundig Advies.

Het werd maandagochtend, en er was nog geen definitieve kandidatuur gesteld. Op grond van een verstrekt advies heb ik toen een brief aan minister Ritzen geschreven die als volgt luidde:

“Hierbij deel ik u voor de goede orde het volgende mede. In de afgelopen maanden is een en ander te doen geweest over nevenverdiensten van hoogleraren. In mijn geval dient het volgende.

1. Bij mijn aantreden is door het college van bestuur van de Erasmus Universiteit de machtiging verstrekt om één dag per week voor eigen rekening diensten aan derden te verlenen.

2. Door het college van bestuur ben ik daarnaast aangesteld als decaan van de Nederlandse school voor openbaar bestuur, in welke kwaliteit ik een toelage van het college van bestuur ontvang. Als docent bij dezelfde school geniet ik geen honorarium.

3. Daarnaast heb ik een participatie in een advies-BV, waarvan ik tevens directeur ben. Het college van bestuur heeft een voorstel over samenwerking niet gehonoreerd. Daarna is met de decaan-beheerder overeengekomen dat de binnen werktijd bestede dagen aan de faculteit worden vergoed tegen een meer dan kostendekkend tarief.

4. Daarnaast heb ik enige nevenfuncties, zoals een free lance overeenkomst met Berenschot en enige commissariaten.

Ad 1. en ad 2. Ten aanzien van mijn huidige werkkring geldt dat mij ontslag zal worden verleend met een terugkomgarantie, zoals in het geval van professor Kooijmans overeengekomen.

Ad 3. Het directoraat ad 3 was het punt van de advies-BV. Het directoraat zal ik onmiddellijk overdragen en de aandelen onderbrengen in een constructie waarin ik er tijdens mijn staatssecretariaat geen bemoeienis mee kan hebben.

Ad 4. Alle betaalde nevenfuncties geef ik onmiddellijk na aanvaarding op.''

De slotzin luidde in argeloosheid: “ Naar ik hoop, stemt het bovenstaande u tot tevredenheid.”

Vervolgens werd de kandidatuur een feit en mocht ik op woensdag worden beëdigd door Hare Majesteit. Op 16 juni zond de heer Lubbers een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer met de bevestiging dat ik alle betaalde en niet-betaalde nevenfuncties had neergelegd, de aandelen had verkocht en overgedragen. Een en ander is vastgelegd bij notariële akte de dato 9 juni.

Tot zover de kwestie betreffende voorafgaande openheid. Ik stel er prijs op, in uw midden te verklaren dat ten aanzien van mijn nevenfuncties dus nooit enige geheimzinnigheid heeft bestaan en dat ik van oordeel ben dat daartoe ook geen reden bestond. Ik heb begrepen dat het ministerie van WVC een fonds voor onthullingsjournalistiek kent, maar in dit geval was het wel erg gemakkelijk verdiend.

Voorzitter! Het tweede punt waarover ik graag een verklaring wil afleggen, betreft het punt van integriteit. Ik heb geprobeerd, in antwoord op vragen van de geachte afgevaardigde Franssen van heden de puntjes nog eens op de i te zetten. Ik dank hem voor de gelegenheid, die zorgvuldigheid schriftelijk te kunnen betrachten voorafgaand aan deze vergadering.

De heer Franssen vroeg mij naar mijn aanstelling als hoogleraar, waarbij ik een volledig dienstverband had van vijf dagen per week, maar één dag per week werkzaamheden voor derden kon verrichten tegen betaling. Ik heb geantwoord dat dit dienstverband bestaat. Er is mijnerzijds geen reden tot een beroep op privacy in dit verband. Ik zal het betreffende deel van de beschikking van het college van bestuur van de EUR nog eens even voorlezen:

“Voor wat betreft het verrichten van nevenwerkzaamheden voor eigen rekening verwijzen wij u naar de gangbare regels binnen onze universiteit. Wij bevestigen de afspraak met de decaan dat er wat hem betreft een machtiging is voor het verrichten van nevenwerkzaamheden ten belope van maximaal een dag per week onder het voorbehoud dat de universitaire taken volwaardig worden vervuld.” (...)

De volgende vraag van de heer Franssen was: kan dat nu wel, dat iemand die een dienstverband X heeft voor Y dagen moet werken? Mijn oordeel is dat een werknemer zich hoort te houden aan de met zijn of haar werkgever gemaakte afspraken. Dat lijkt mij het eerste onderdeel van normbesef: als je afspraken maakt dat moet je daar ook aan houden. Ik wil daar in deze verklaring nog wel aan toevoegen dat ik een taak binnen de EUR heb vervuld, waarin het totaal der componenten inhield dat er sprake was van een 1,0 taakvervulling. Ik heb bij de interne taaktoedeling dus nimmer een beroep gedaan op de mogelijkheid om te zeggen: ja, maar ik hoef maar vier dagen te werken, want dat mag van het college van bestuur. In de genormeerde werktoedeling die gemaakt is, heb ik steeds een 100%-taak aanvaard ten opzichte van de aanstellingsomvang..

Nu is het natuurlijk de vraag: heeft u die taken dan volwaardig vervuld? Je kunt immers wel taken toegedeeld krijgen, maar doe je ze ook? De gewaardeerde vragen van de geachte afgevaardigde maken het mogelijk om daarop ook nog eens even te reflecteren. Er hebben wat tellingen plaatsgevonden over onderzoekoutput binnen de faculteit. Het schriftelijke antwoord was een understatement, namelijk dat het niet onderdeed voor wat gebruikelijk was aan onderzoeksprestaties, geleverd door leden van de faculteit waaraan ik verbonden was. Met betrekking tot onderwijs is er een recente evaluatie geweest. Ik geef 'm maar voor beter, maar het was een geobjectiveerde evaluatie waaruit naar voren kwam dat mijn onderwijsbelasting 209% was, alles volgens de normen waarin de taken zijn. Het zal u als kenners van het hoger onderwijs niet onbekend zijn dat normen en realiteit in die procedures niet steeds overeenkomen.

Wat betreft taak en taaktoedeling maar vooral taakvervulling meen ik dus ten overstaan van de hele wereld - wetenschappelijke en politieke wereld - te kunnen volhouden dat er sprake was van een volwaardige taakvervulling, dat ik mij daar allerminst voor hoef te schamen en dat er reden voor vreugde zou zijn als dit een gemiddelde was.

Voorzitter! Er is, niet door de heer Franssen maar veelal door derden, natuurlijk gevraagd: is het nu zo dat die In 't Veld bijklust voor eigen rekening, wat eigenlijk ten koste van de belastingbetaler gaat? Als je een volwaardige taak uitoefent, dan lijkt het mij niet dat daardoor de belangen van de belastingbetaler geschaad worden. Ik kan echter meedelen dat er ietsje meer aan de hand was, in die zin dat sommige onderdelen van de reguliere taak ook voor de universiteit inkomsten opleverden alsmede dat ik een deel van mijn neveninkomsten aan de faculteit heb doen toekomen. Het daartoe strekkende bedrag, inclusief docentschap en decanaat van de Nederlandse school voor openbaar bestuur, lag in 1992 ver boven de ƒ 100.000. Dat betekent dus dat er sprake was van een salaris met een opslag, maar dat, om het nu even wat te eenvoudig te zeggen, de belastingbetaler voor mijn aanwezigheid ƒ 100.000.- minder heeft hoeven neertellen.

Dat geldt althans voor de belastingbetaler via de bron van de rijksbijdrage van de universiteit, want sommige van die nevenverdiensten kwamen ook voort uit transacties met overheidsorganen, die natuurlijk ook ten laste van belastingbetaler komen. Ik denk dus echter dat de universiteit aan mij een goede zaak deed tot 10 juni.

Mijnheer de voorzitter! Wat mij in de nachtmerrieachtige periode van de afgelopen twaalf dagen het meest heeft beziggehouden is die uitdrukking ''hoogleraar/zakenman''. Ik vind eigenlijk dat ik in het meest recente verleden niet alleen heb bewezen een slecht zakenman te zijn, maar ook heb gefaald als hoogleraar voor zover een hoogleraar ook iemand behoort te zijn met een reflectieve blik op wat er in de samenleving aan de gang is. (...)

Ik vind dat ik bij mijn beoordeling van de politieke situatie die zou ontstaan door mijn aantreden, niet goed heb nagedacht. Er was ook erg weinig tijd voor, maar ik ben er door de gewaardeerde commentaren bewust van geworden dat ik in het verleden bij die menging van arrangementen, bij het enerzijds consciëntieus vervullen van het hoogleraarschap in een publiek domein en het anderzijds zoeken van private arrangementen om daar aanvulling aan te geven. (...)

De vraag waarvoor ik mij gesteld zag - ik voelde mij nogal aangesproken door het hoofdartikel in de NRC van vanavond - was of ik in de komende periode geloofwaardig en effectief zou kunnen functioneren. Want nog liever dan dit ambt zou mij die effectiviteit zijn. En ik houd te veel van het hoger onderwijs om mijn eigen ijdelheid te lang te blijven strelen. Ik heb over die vragen van geloofwaardigheid en effectiviteit gepraat en gedacht. De vraag van de geloofwaardigheid kun je natuurlijk ook moeilijk zelf beantwoorden, want het gaat niet om mijn geloof, maar om dat van derden. (...) Ik heb daarover advies gevraagd aan degenen die mij politiek na zijn, om bij hen te meten of die geloofwaardigheid en die effectiviteit naar hun oordeel tot stand zouden kunnen worden gebracht. Wij hebben vandaag ruim aandacht geschonken aan wat je een risico-analyse zou kunnen noemen.

Ik was geneigd om door te gaan, ondanks de risico's, waarvan ik mij zeer wel bewust ben. Nog eens een brief op het briefpapier van, enzovoort, dat zou zo'n risico kunnen zijn. Majeure risico's zijn er niet, want ik ben van oordeel dat er buitengewoon netjes gehandeld is, niet alleen volgens regels die door het college van bestuur van de EUR zijn gegeven, maar ook volgens regels die in het algemeen maatschappelijk verkeer bestaan voor wat betamelijk is.

Maar dat kon niet eindeloos doorgaan. Als zich nieuwe risico's zouden voordoen, zou er een moment komen waarop je dat opnieuw aan de orde zou moeten stellen. Ik hoopte echter vandaag een begin te kunnen maken door het overleg met u, met wat je kunt noemen vertrouwensherstel, met een stukje opbouw, en dergelijke.

In de afgelopen dagen heb ik uitvoerig van gedachten gewisseld met de eigen fractie, zeer uitvoerig mag ik wel zeggen. Daaruit heb ik uitsluitend bemoedigende signalen ontvangen. Kritisch, diepgravend en bemoedigend. Ik stel er prijs op, dit te verklaren, omdat in het recente verleden bij een ander geval wel eens iets anders is gezegd, geloof ik.

Bij de adviezen van degenen die mij politiek het meest na staan, was er één dat ik buitengewoon zwaar heb laten wegen. Ik moest dat ook zwaar laten wegen, gegeven de staatsrechtelijke verhoudingen in dit land. Ik heb dat ook graag zwaar laten wegen. Dat betrof het oordeel van de eigen minister die op grond van een gelijke feitenbeoordeling - er is niets verkeerd gebeurd, integriteit is niet in het geding, regels zijn gevolgd, de taakvervulling was volwaardig, enzovoort - toch kwam tot een andere inschatting van toekomstige risico's. En dat kan. Op dat punt ben ik een beetje onzeker geraakt, omdat gebleken is dat mijn risico-inschatting in het recente verleden ook niet zo adequaat was.

Ik heb dus het advies van de eigen bewindsman buitengewoon zwaar laten wegen bij mijn finale beslissing. Maar voordat ik die geef, wil ik nog één ding zeggen. Het gaat om iets wat ik heel belangrijk vind. Ik vind het namelijk heel belangrijk om tegen u te zeggen dat ik niet graag heb dat door u gezegd zou worden dat ik de discussie met u gemeden heb. Dat vind ik buitengewoon belangrijk, want ik sta nog liever te boek als zakenman dan als lafaard. En toch heb ik besloten om die discussie met u nu niet aan te gaan, want het zou een schijndiscussie zijn geweest. Er zou sprake kunnen zijn geweest van een argumentatieproces over en weer dat ik buitengewoon op prijs zou hebben gesteld. Maar mijn conclusie moest van tevoren vaststaan en dus zou het met u geen eerlijke discussie zijn geweest. Ik hoop dat u dit wilt waarderen.

Voorzitter. Ik heb waardering voor de leden van het kabinet die getuigd hebben van hun voornemen om achter mij te blijven staan, waaronder heel nadrukkelijk de minister-president. Ik meen dat ik aan zijn gevoelen toch niet in overwegende mate gevolg kon geven, omdat ik het advies van de eigen bewindsman buitengewoon zwaar vind wegen. Zo zwaar, dat ik mijn beslissing daarop volledig moet baseren.

Ik hoop dat er nog leven is na de politieke dood, maar weet dat eerlijk gezegd niet zeker.

Ik verklaar hierbij dat ik mij op grond van het hiervoor door mij gestelde op mijn positie beraad, wat geloof ik de officiële formulering heet te zijn. Dank u zeer.