Hoogleraren oneens over jeugd-misère

LEIDEN, 18 JUNI. Is het erg dat bijna een op de drie scholieren last heeft van faalangst? En is het verontrustend dat een op de zes zegt zich “vaak somber” te voelen?

Ja, vindt de Leidse onderzoekster N. Garnefski, met klinisch psycholoog dr. R.F.W. Diekstra een van de opstellers van het Scholierenonderzoek 1992 over gedrag en gezondheid waaruit deze percentages afkomstig zijn. “In een klas van dertig leerlingen zijn er dus vijf met zulke problemen, dat is niet gering.”

Bij de presentatie van het onderzoek gisteren in Leiden op een congres van Jeugd en Samenleving kwam echter direct forse kritiek op het onderzoek, van de Leidse hoogleraar ontwikkelingspyschologie dr. G.A. Kohnstamm. Hij noemde het “zwartgallig”, laakte de “tendentieuze” presentatie en plaatste vraagtekens bij representativiteit en betrouwbaarheid van de schriftelijke steekproef, gehouden onder 11.000 scholieren op 200 scholen. Onderzoeker Diekstra, eveneens hoogleraar te Leiden, wierp tegen dat Kohnstamm zonder “kennis van zaken” sprak.

Belangrijkste conclusie uit het onderzoek is dat vijftien tot twintig procent van de jeugd kampt met meer of minder ernstige emotionele, sociale en gedragsproblemen. Daarbij scoren scholieren van voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) en MAVO aanzienlijk hoger dan hun leeftijdsgenoten in het VWO. Vijftien procent van de meisjes in het VBO zegt in het onderzoek ooit een zelfmoordpoging te hebben gedaan.

Kohnstamm gelooft daar niets van. “Vijftien procent van de meisjes! Dat geloof ik gewoon niet, dat kan niet. Misschien hebben die scholieren de vragen wel bulderend van het lachen zitten invullen.” Wat Kohnstamm echter het meest steekt is de “zwartgallige” en alarmistische presentatie van het rapport, waarin verontrustende conclusies apart staan in grijze balken, soms voorzien van uitroeptekens. “Uit veel onderzoek blijkt dat het prima gaat met de jeugd. Waarom dan zo negatief? Ja, door juist de ellende flink te etaleren maak je je eigen werk natuurlijk wel belangrijk. Dat zie je in allerlei disciplines.”

Diekstra houdt desgevraagd vast aan de betrouwbaarheid van het onderzoek en het cijfer over zelfmoord. “Als Kohnstamm dit gegeven onbetrouwbaar vindt, waarom zegt hij dat dan niet ook van de positieve dingen die wel degelijk uit ons onderzoek blijken?” Over de presentatie zei zijn collega-onderzoekster N. Garnefski: “We presenteren de dingen die ons zijn opgevallen. Scholen moeten er toch wat aan hebben om te weten dat een derde van de jeugd regelmatig dronken is?”

De botsing tussen Diekstra en Kohnstamm gisteren was de markante uiting van een bekend dilemma in het jeugdonderzoek. “Optimisten” die menen dat het alles bij elkaar goed gaat met de jeugd staan tegenover “pessimisten” die het accent leggen op de problemen. De tegenstelling lijkt er vooral een van accenten. In een artikel voor het tijdschrift Jeugd en Samenleving signaleert de Utrechtse hoogleraar jeugdstudies dr. W. Meeus een “modernisering van de jeugdfase” tussen 1970 en 1990. Belangrijkste kenmerken: langere en hogere scholing, individualisering, steeds vroegere experimenten met relaties, en een grotere rol voor jongeren in “de openbare ruimte.”

De hogere eisen aan scholing en de grotere ruimte voor experimenten met relaties brengen volgens Meeus met zich mee dat jongeren meer dan vroeger op problemen stuiten. Keerzijde van de grotere mogelijkheden voor jongeren is de kans op mislukking - vooral voor traditioneel kansarme groepen. Meeus noemt een schatting van twintig procent jongeren met serieuze problemen “niet overdreven”, hoewel de Nederlandse jeugd er internationaal gezien “goed tot zeer goed” voorstaat. In alle gevallen is er daarnaast volgens Meeus nog een conclusie te trekken, namelijk dat “de meerderheid van de jongeren geen ernstige problemen heeft.”