Energiebedrijven: snellere besparing noodzakelijk

ARNHEM, 18 JUNI. De Nederlandse energiedistributiebedrijven moeten een “inhaalslag” maken op het gebied van energiebesparing van minimaal 22 procent. Dat blijkt uit een gesprek met ing. D. van de Weerd, directeur van de Vereniging van GEB's, EnergieNed.

Cijfers van EnergieNed over 1992 geven aan dat het besparingsbeleid vergeleken met de doelstellingen die twee jaar geleden worden geformuleerd, op tempo ligt. Maar Van de Weerd heeft nu het bureau McKinsey ingeschakeld voor een inventarisatie van extra mogelijkheden voor besparing, zowel bij particuliere huishoudens als bij bedrijven, omdat het milieubeleid intussen is verscherpt.

In 1991 baseerde EnergieNed zijn eerste Milieu Actie Plan (MAP) nog op het Nationaal Milieubeleids Plan (NMP) van de regering en op de Nota energiebesparing, die uitgaan van 20 procent zuiniger omgaan met gas, olie en elektriciteit in het jaar 2000. Intussen geldt alweer bijna twee jaar het NMP-Plus, met een hogere doelstelling voor de beperking van de kooldioxide-uitstoot (kooldioxyde): 11 in plaats van 9,6 miljoen ton in het jaar 2000. “Dat betekent een aanzienlijk zwaardere inspanning”, zegt Van de Weerd, “sowieso zullen we 22 procent meer moeten besparen in de resterende zeven jaar van deze eeuw. Maar de overheid werkt ook alweer aan een nieuw milieuplan, dat NMP-2 zal heten en begin volgend jaar verschijnt. Dat vergt dat we nog een tandje hoger moeten met de energiebesparing.”

“Dan moet je wel nagaan wat redelijk is”, voegt hij er aan toe, “waarbij je natuurlijk ook over de grenzen kijkt. Binnen de EG behoren onze elektriciteitstarieven tot de laagste, maar je moet oppassen met de kosten niet voor de muziek uit te lopen. Je moet concurrerend blijven.”

Net als de elektriciteitsproduktiebedrijven wil EnergieNed ook onderzoeken of een deel van het beschikbare geld beter voor verbetering van het milieu in Oost-Europa kan worden ingezet. De SEP (overkoepeling van de stroomproducenten) bouwde een dure ontzwavelingsinstallatie op de schoorsteen van een Poolse centrale en legt bossen aan in het buitenland om de CO-uitstoot van Nederlandse centrales te compenseren. Van de Weerd: “We bekijken of we in Oost-Europa met dezelfde middelen niet een veel substantiëlere bijdrage kunnen leveren als in Nederland. De distributiebedrijven zoeken, als het gaat om investeringen in Oost-Europa, hun kracht in de eerste plaats op het terrein dat ze in Nederland vertrouwd is: installatie en verbetering van gas- en elektriciteitsmeters, gastoestellen, verbetering van leidingnetten waardoor verliezen worden opgeheven en voorlichting over een zuiniger energiegebruik. In Hongarije wordt waarschijnlijk ingeschreven op een "tender' voor zo'n project.

Maar volgens Van de Weerd zijn er ook al contacten met zusterbedrijven in Hongarije, Tsjechië en Polen die kunnen leiden tot bijvoorbeeld het overnemen van een compleet leidingnet in een stedelijk gebied. Daar speelt volgens Van de Weerd ook duidelijk een strategisch belang mee. “Dan gaat het niet alleen om meer zekerheid in de energievoorziening in bijvoorbeeld Hongarije, maar ook in Nederland. Want je bouwt aan een infrastructuur tussen Oost en West. Je kunt Hongarije een alternatief bieden voor de gasleveranties uit Rusland die de laatste tijd wel eens zijn onderbroken, eventueel door Nederlands gas te leveren of uit te lenen.

Van de Weerd was lid van de zogenoemde Groep van Negen, die onlangs advies heeft uitgebracht over een nauwere samenwerking tussen de verschillende partijen in de energiesector. Belangrijk punt in het rapport is een nieuw systeem van planning voor de produktie en afzet van gas en elektriciteit. Het verbod op import van stroom voor de distributiebedrijven kan uit de Elektriciteitswet verdwijnen wanneer dat systeem goed gaat werken, heeft minister Andriessen al geconcludeerd. Dat verbod was nodig om te voorkomen dat er ongecoördineerd zou worden gemporteerd, waardoor investeringen in nieuwe elektriciteitscentrales, die gepland worden om aan de vraag naar stroom in Nederland te voldoen, niet rendabel zouden zijn.

Volgens Van de Weerd zal er van nu af aan “ten minste sprake zijn van een gedeelde verantwoordelijkheid” bij de planning van nieuwe centrales. Zowel de stroomproduktiebedrijven als de leden van EnergieNed, de "klanten', zullen daar invloed op krijgen. Of dat ook betekent dat het plan van EDON, een distributiebedrijf in het Noorden des lands, om 600 megawatt uit Noorwegen te gaan importeren nu van de baan is?

Van de Weerd: “Kijk het is de taak van de distributiebedrijven om de klant zekerheid te bieden dat hij energie krijgt tegen een zo laag mogelijke prijs. Wij gaan echt niet op een achtermiddag even een importdeal met de Noren sluiten. Je gaat niet buiten alle planning in Nederland om iets met een buitenlandse leverancier zitten foezelen, want dat zou betekenen dat de kosten voor de stroomproduktie hier hoger kunnen worden. Maar een belangrijk winstpunt is nu dat het systeem van stringente, centrale planning, waarbij ook import alleen maar door de SEP kon worden geregeld dankzij een monopoliepositie, verdwijnt. Nu dat gebeurt, zou ik graag zien dat we het importplan van EDON in het overleg met de SEP over het volgende Elektriciteitsplan meenemen en op een goede manier impassen.”

En het plan van de directeur van Gasunie, om de gasprijs te verhogen, waarbij het contract met EnergieNed als eerste aan bod komt omdat het per 1 januari verlengd moet worden? Zal EnergieNed in het klimaat van consensus dat nu in de energiewereld wordt gentroduceerd, die prijsverhoging accepteren en niet meer in Noorwegen op zoek gaan naar een voordeliger contract?

Van de Weerd: “Wij hebben best begrip voor de problemen van Gasunie. We blijven over de grens kijken, maar ik hoop wel dat het bij kijken blijft.”

    • Theo Westerwoudt