En toen?

De onlangs verschenen aflevering van het kwartaalschrift Raster heet Vertellen, met als nadere verklaring: "Schrijvers op zoek naar een orale voorgeschiedenis'.

Ik zou het misschien anders hebben uitgedrukt, maar laat ik er alleen dit van zeggen: het is een interessant nummer. Ik beperkt me nu tot de bijdrage van Anthony Mertens over het verval van de vertelkunst. Terwijl Mertens - "met de afstandsbediening in de hand' - naar een aflevering van het televisieprogramma De Vertellers zit te kijken, denkt hij aan Walter Benjamin die al in 1936 heeft gesignaleerd dat het met deze kunst de verkeerde kant opging. Een van de oorzaken daarvan, schreef de Duitse essayist, is het verdwijnen van de verveling die werd veroorzaakt door het langdurig, eentoning handwerk. Een ander argument vindt Mertens bij Maria Hornung: "Bioscoop en radio hadden een verwoestende uitwerking op het vertellen.'

Er staat nog veel meer in het essay van Mertens, maar ik blijf bij deze twee oorzaken die er samen één vormen. Door het verdwijnen van het eentonig handwerk had de arbeider toch al geen behoefte meer aan breed uitgesponnen divertissement en toen kwamen bioscoop en radio, en daarmee was het zich nu nog altijd in ontwikkeling bevindende tijdvak aangebroken: de eerste periode waarin iedereen van hoog tot laag in staat is zich dag in dag uit te pletter te amuseren. (Ik vertaal Neil Postman). Maar is daarmee de verveling verdwenen?

Het is geen wonder dat Walter Benjamin zijn essay in 1936 heeft geschreven, in het midden van de jaren dertig toen door de bemoeienissen van Hitler en Goebbels de luidspreker als een Krakatau uit zijn voegen barstte. De nazis hebben de verveling eerst met sensatie en vervolgens met terroristische dreigementen bestreden en ten slotte de daad bij het woord gevoegd. Pas in de Hongerwinter, en dan alleen nog in het Westen van Nederland dat zich toen weer op de drempel van de Middeleeuwen bevond, waren die acht maanden de oorspronkelijke voorwaarden voor de wedergeboorte van de vertelkunst (en het lezen van veel dikke boeken) hersteld. Zes delen Graaf van Monte Cristo, Zola's Rougons-Maquart, het verzamelde werk van Havank en Roothaert, de romans van Ter Braak, zonder aanzien des auteurs is het er toen bij me ingegaan.

Mijn stelling is dat bij de Bevrijding de neergang van de vertelkunst zich tot op de dag van vandaag heeft voortgezet, met steeds desastreuzer gevolgen. Niet de verveling is verdwenen, maar de middelen waarmee die wordt bestreden zijn veranderd. Vertellen is een kunst die van de beoefenaar een bijzonder vakmanschap vraagt. Hij of zij (zeg ik er opzettelijk bij, omdat degene die ik het mooist heb horen vertellen een vrouw was) moet om te beginnen het verhaal door en door kennen. Een verhaal waarvan de samenhang pas tijdens het vertellen erin gefabriekt wordt, vervult de toehoorder met gêne. Kennis van de samenhang is vereist omdat voor het vertellen een bepaalde strategie nodig is. Die bestaat weer uit een zorgvuldige dosering van hoogtepunten, beschrijvingen, enz., in het kort gezegd alles wat de identificatie van het publiek bevordert. Daartoe horen natuurlijk ook mimiek, stemvolume en intonatie. Vertellen, blijkt hieruit, is een gecompliceerde kunst die met een zekere eerzucht moet worden beoefend. Zeer juist is dan ook wat Mertens schrijft: als de ene verteller aan het woord is, zit de volgende al klaar om te laten zien met welk onovertroffen verhaal hij het gehoor zal meeslepen.

Maar, zal men vragen, als we nog steeds worden bedreigd door de verveling, hoe komt het dan dat de vertelkunst in diskrediet is geraakt? Omdat we meer prijs stellen op instant-bevrediging dan op samenhang. Anthony Mertens zit naar het programma De Vertellers te kijken met de afstandsbediening in de hand. Hij wordt niet meegesleept en (veronderstel ik; hij schrijft het niet), wat is dan de oplossing? Hij zapt. De zappende mens, nu niet Mertens maar de zappende in het algemeen, ruikt hier, ruikt daar, en zonder iets anders te bewegen dan de vinger die op de toetsen drukt rent hij de kanalen langs, ongeveer zoals een loslopende hond over straat. Door het zappen vult men het brein met fragmentarische, min of meer sensationele indrukken. Daarmee wordt men wel behoed voor de verveling maar het sluit ieder inzicht in een samenhang uit.

Mertens ontdekt het laatste bolwerk van de vertelkunst: de kinderkamer. Een klein kind dat nog niet in het genot van een afstandsbediening is gesteld, vraagt bij het luisteren naar een verhaaltje dat die naam verdient, altijd: En toen? Daaruit blijkt dat het samenhang op prijs stelt, een bepaald causaal verband, een vervolg verwacht. Later leert het dat zappen gemakkelijker is dan deze verwachtingen te stellen. Door niet meer naar verhalen te luisteren zal men ook het vertellen niet leren. Alles wat niet wordt gebruikt verschrompelt.

    • H.J.A. Hofland