Een tot de rand gevuld gemoed; Vijf dagen met Ibsen en Grieg in Noorwegen

Bij de honderdvijftigste geboortedag van Edvard Grieg waren er in het Noorse Bergen twee uitvoeringen te zien van Ibsens drama Peer Gynt waarvoor Grieg de muziek schreef: een Noorse en een Zweedse. De Noorse toont de boerenzoon Peer Gynt als een gevoelige rietpluim, de Zweedse als een cynische buitenstaander.

Peer Gynt door Den Nationale Scene, Bergen. Te zien in Bergen in augustus; in Barcelona in september, in München in november. Tel. 09-47 5 901780.

Iedereen kent wel de suite van Peer Gynt, de muziek van Grieg die fris door de fjordenwind naar Griegs werktafel werd geblazen waar de componist de melodieën alleen maar hoefde op te tekenen. Ook het bronzen standbeeld van Grieg op een grasveld in het midden van de Noorse stad Bergen wekt de indruk dat Grieg, ene hand op de rug, andere gesteund op een wandelstok, niet meer deed dan zijn ruige snor schuin in de hoogte steken waar de wind er als vanzelf droefgeestige klanken aan ontlokte. Griegs snor als eolusharp.

Pastorale muziek, met een viool hier, een idyllische fluit daar, trom en triangel en polka, een volkswijsje elders, beekjes, herders en herderinnetjes, met weemoed en schallende koekoekszang, heeft een merkwaardige bekoring en tegelijk is de schijnbare eenvoud ervan verraderlijk. Dat geldt niet alleen voor Peer Gynt, ook de Zesde Symphonie of Pastorale van Beethoven en de Manfred Symphonie van Tsjaikovski. Wie ernaar luistert, ziet er beelden bij. Van landschappen vooral, weids en woest, eenzaam en uitgestrekt, dat hoort bij deze muziek, en natuurlijk is ter afwisseling een boerenbruiloft getoonzet. Hoewel veel van deze composities tot de laat-romantiek behoren, roept het predikaat "romantisch' te veel het idee op dat pastorale muziek is ontstaan als simpele imitatie van natuurgeluiden.

Het zou deze muziek meer recht doen te erkennen dat het op bijna schilderkunstige wijze oproepen van landschappen een van de kwaliteiten is; het is een misverstand dat zoiets de componist makkelijker zou afgaan dan muziek die geen uitbeelding is maar abstract. Er zijn vast mensen die bij naderend onweer eerder denken aan het "Scherzo' uit Beethovens Pastorale, met zijn tremolo van cellen en bassen, gillende piccolo's en bazuinen, dan dat ze beseffen de ramen en deuren te moeten sluiten.

De stad Bergen aan de westkust van Noorwegen vierde deze week, op 15 juni, de honderdvijftigste geboortedag van Edvard Grieg (1843-1907). Zijn Lyrische Stücke voor piano, het Pianoconcert in mineur en de twee orkestsuites die hijzelf destilleerde uit de veel omvangrijker dramatische muziek bij Ibsens Peer Gynt maakten hem tot een beroemd en geliefd componist. Enkele maanden lang wordt Grieg hier gelauwerd met uitvoeringen en tentoonstellingen, met boottochten door de fjorden op de wiegende golven van zijn harmonieën.

In de havenstad waar vissersboten aan de kade liggen afgemeerd schijnt veel aan Edvard Grieg te herinneren. Zijn geboortehuis stond er, maar is van de plattegrond verdwenen; de zaal waar Grieg zijn eerste concert gaf is herdoopt tot bioscoop. Een Grieg-café is er niet, wel een Henrik Ibsen-kroeg. Even buiten de stad ligt de villa van Grieg en zijn vrouw, Troldhaugen genaamd, wat Koboldheuvel betekent. In de nabijheid ligt, net zo verstild-bescheiden als aanlokkelijk, het componeerhuisje van Grieg in de diepte van de tuin, met uitzicht over een fjord.

Poortwachter

Voor ons is Grieg uitsluitend een componist, voor de bewoners van Bergen is hij de man die de stad meer artistieke allure gaf dan rivaal Oslo, eertijds Christiana geheten, en die een belangrijke rol speelde in de politieke eenwording van Noorwegen. Grieg en andere vooraanstaanden, zoals de violist Ole Bull, de nationale dichter Björnson en de toneelschrijver Henrik Ibsen, gaven het land de zelfbewustheid om zich vrij te maken van Zweden. Het theater en concertgebouw van Bergen zijn opgetrokken uit donkere blokken steen waardoor ze, in hun gestrengheid, allerminst uitnodigend zijn. Voor de deuren van het Nationale Theater van Bergen (Den Nationale Scene) staat als een onverbiddelijke poortwachter een beeld van Ibsen dat wel driemaal manshoog is, een brok omhoogrijzend graniet met een indrukwekkende kop erop waarvan de bakkebaarden uitsteken als rotspunten. In de rechterhand rust een beitel van wel een halve meter die Ibsens pen symboliseert, waarmee hij wroette in de zielen van zijn personages als Nora, Hedda Gabler en, het spreekt vanzelf, Peer Gynt.

Zowel Grieg als Ibsen konden niet componeren of schrijven zonder Noorwegen in gedachten te hebben, beiden waren van mening dat ze pas begrepen konden worden door wie Noorwegen kende. Maar dat neemt niet weg dat Ibsen een belangrijk deel van zijn scheppend leven in zelf-opgelegde ballingschap in Italië verbleef en dat Grieg op zijn minst even vaak buiten de landsgrenzen verkeerde als er binnen. Noorwegen is kennelijk een land om, wil de inspiratie vloeien, naar te verlangen.

De trots van de Noorse kunst is Ibsens Peer Gynt, een dramatisch gedicht in vijf bedrijven uit 1867, begeleid door de toneelmuziek van Grieg, op verzoek van Ibsen gecomponeerd in 1874-'75. De kiem voor de samenwerking werd buiten Bergen gelegd, in Rome, waar Grieg op een van zijn vele concertreizen als pianist zijn landgenoot Ibsen trof. De heren, Ibsen als altijd stug, de kleine Grieg evenmin toeschietelijk, schijnen toentertijd weinig woorden met elkaar gewisseld te hebben. Als ze elkaar ontmoetten, beiden gekleed in strak toegeknoopte jas, nam ieder de hoed af en ging vervolgens zijn weg, geen handdruk werd gegeven.

Is de beroemdheid van Peer Gynt te danken aan Griegs dramatische muziek of heeft juist Griegs dweepzieke en mierzoete muziek Ibsens meesterwerk om zeep gebracht?

Grieg lijkt een componist die rechtstreeks uit zijn van stemmingen en atmosferische indrukken tot aan de rand gevulde gemoed componeerde; de cerebrale Ibsen daarentegen was een man van de naturalistische ontleedkunst van de menselijke ziel. Onder de Ibsen-bewonderaars zijn er veel hardvochtige Grieg-haters, die zich bij voorbeeld in de handen wrijven van leedvermaak bij het aanhoren van Morgenstimmung, de prelude tot het vierde bedrijf. De tekst beschrijft Peer Gynts ontwaken in de bloedhete Sahara, nadat hij de nacht tevoren is beroofd, zowel van zijn geld als van zijn illusies in de liefde. In Griegs klankschildering vinden we hiervan niets terug; Morgenstimmung roept simpelweg het opgaan van de zon boven de besneeuwde bergtoppen van Noorwegen op, waar de lichtstralen de nevelsluiers die boven het water drijven verjagen. Ibsen schijnt gezegd te hebben dat de muziek van Grieg is "als suiker die de bittere pil verzacht'. Grieg op zijn beurt was maar gedeeltelijk gecharmeerd van Ibsens vaak duistere en vooral "onmuzikale onderwerp', de bizarre omzwervingen van een boerenzoon. Soms componeerde hij dan maar iets dat verschrikkelijk Noors was, ruikend naar koeiepaden en getuigend van grote vaderlandsliefde in de hoop dat de toehoorders de ironie ervan begrepen. Maar die hoop bleek ijdel.

Na afloop van de première in 1876 schreef Grieg aan Ibsen een hartelijke brief en deed Ibsen aan Grieg zijn warmste complimenten toekomen. Toch behield Ibsen tegenover Grieg dezelfde afstandelijkheid en terughoudendheid die hem als schrijver ten opzichte van zijn personages kenmerkt. Hij liet zich nooit door mededogen meeslepen. Over een dichter uit zijn tijd die te weinig gedachten had en teveel emoties, oordeelde hij: "Dat is geen dichter, want een dichter moet behalve emoties ook gedachten hebben. Het is eerder een lyricus, nee, een componist.' Zo dacht en sprak Ibsen, in venijnige, verborgen vijandelijkheden waarin de arme Grieg het moest ontgelden.

Uitstel

Sinds het stormachtige succes van de wereldpremière van Peer Gynt door Ibsen & Grieg is het niet meer voorgekomen dat de volledige muziek werd gespeeld, niet als begeleiding van de tekst maar met tekst en handeling verweven. Pas in deze junimaand, honderdzeventien jaar later, had de schouwburg van Bergen de moed liefst twee volledige Peer Gynt-uitvoeringen op het repertoire te nemen, een Noorse en een Zweedse.

De schuld van het lange uitstel ligt bij de theaterregisseurs. Nadat Griegs muziek onuitwisbaar, je zou kunnen zeggen: onuitroeibaar, zowel sfeer als karakter van Ibsens toneelspel had benvloed, was het voor menigeen ongetwijfeld te min Tief im Tannenwald, Ases Tod of Solvejgs Wiegenlied het Noorse sentiment te laten oproepen. Zonder er doekjes om te winden noemde een Engelse regisseur die Peer Gynt voor het Old Vic theater in Londen regisseerde de muziek "a burden'. De stoet van violen en blazers die fjord na fjord te voorschijn fiedelden of riedelden, die muzikale "Kindergarten', hield de handeling nodeloos op. Dat klopt. Zonder muziek duurt Peer Gynt drie uur, met muziek bijna vijf.

Dit is dan ook het enige dat waar is aan de kritiek op de muzikale begeleiding.

Twee avonden en twee uitvoeringen later in Den Nationale Scene van Bergen ben ik ervan overtuigd dat Ibsen evenveel aan Grieg te danken heeft als Grieg aan Ibsen, en dat muziek en handeling een tweeëenheid vormen als hand en handschoen.

Voor de Zweedse voorstelling, gespeeld door het Koninklijke Theater Dramaten uit Stockholm, tekende film- en theaterregisseur Ingmar Bergman. Hij koos om onbegrijpelijke redenen tegen Grieg en voor de Tsjechische componist Bohuslav Martinu. De korte intermezzi, soms jazzy, vaker cabaratesk, leken zonder enige band met de tekst gebloemleesd uit zijn werk.

De muziek voluit te spelen, met het orkest in de orkestbak en zangers erbij, zodat Peer Gynt bij vlagen op ballet leek en in de vocale scènes net een opera was, met al het drakerige vandien - ik begreep dat alles als een daad om de schaamte voor Griegs "Kindergarten' te overwinnen. Regisseur Kjetil Bang-Hansen van Den Nationale Scene heeft gedaan wat hij moest doen, zonder terughoudendheid. Hij negeerde de afwijzing van de romantische Grieg en liet de picturale muziek vrij van elke schroom ten gehore brengen, al klinkt die voor sommige oren zo zoetelijk.

Smartlap

Het dramatische gedicht Peer Gynt van Ibsen mist drama. Dit is meer dan een woordspeling. Er zijn tal van motieven en handelingslijnen door elkaar gevlochten, waardoor het stuk de hechte opbouw ontbeert van Ibsens latere stukken. Eén lijn is beslist de romantische. De fantasierijke, in zijn eigen verzinsels en sprookjes gelovende boerenzoon Peer Gynt verlaat aan het begin van het stuk zijn geliefde Solvejg om aan het slot, nadat zij in haar berghutje zowat een leven lang op hem heeft gewacht, bij haar terug te keren. En, o aandoenlijkheid, hij sterft in haar armen gelukkiger dan hij ooit is geweest. Terecht dat Grieg van het lied dat zij aan het slot zingt een sentimentele, door tranen besproeide smartlap maakt. Wie weet is Solvejgs Lied sublieme ironie, zo subliem, dat niemand het ooit heeft opgemerkt. Tegelijkertijd is het, door de bewuste overdaad aan sentiment, een venijnig vijandelijkheidje naar Ibsen. Want hij is per slot de tekstdichter.

Bovendien was Peer Gynt bedoeld als hekeling van het weinig gastvrije, onverschillige Noorse karakter, waaronder Ibsen zo zwaar leed dat hij zijn heil in het zuidelijke buitenland zocht. Evenals de Noren kan Peer Gynt geniaal liegen en verhalen vertellen. Als zijn moeder Ase bang op haar sterfbed ligt, steekt hij een verhaal af over een sledetocht naar de hemelpoort. Zij gelooft hem en vertroost glijdt ze de dood binnen. Tenslotte zijn er de omzwervingen van de held door Amerika, Egypte en Marokko. In het eerste land verdient hij geld met louche handel, in het tweede raakt hij onder de bekoring van de sensuele heupbewegingen van een buikdanseres. Dan zijn er nog Peers dromerijen over heldendaden die hij, zonder ook maar een vinger uit te steken en zijn tijd met verrukte nutteloosheid verdoend, in het Noorse bergland van de trollen denkt te gaan verrichten.

De Noorse regisseur Bang-Hansen drukt het romantische levensgevoel uit, gedragen op de wieken van Griegs muziek. Zijn Peer, gespeeld op Hamlet-achtige, melancholieke wijze, is een gevoelige rietpluim. Door elke wind laat hij zich meevoeren, gulzig en voortdurend op zoek naar nieuwe sensaties. Hij is jong, of eerder: hij is nog jong. Maar niet lang meer.

De Zweedse regisseur Ingmar Bergman beklemtoont de gedachte dat de wereld een gekkenhuis is van angst, achterdocht en eigenbelang, bij voorkeur ten koste van anderen. De Peer Gynt die onder zijn hoede voor het voetlicht treedt is ouder dan de Noorse, een man die meteen in het begin er geen twijfel over laat bestaan dat hij in het leven alles al beleefd heeft en alles gezien. Hij is een cynische buitenstaander die zijn omgeving gadeslaat als met een terloopse blik over de schouder.

De Noorse regisseur wil graag dat wij in de droomachtige illusie van het spel geloven. Witte en groene doeken zijn gedrapeerd over de toneelvloer en wanneer het in de schipbreukscène moet stormen, dan stormt het op zee ook daadwerkelijk.

Bij Ingmar Bergman speelt de handeling zich af op een rechthoekig speelplateau, dat zowel scheepsdek kan zijn als woestijn als een bergkam, kortom, het vlak verbeeldt elke statie die Peer Gynt op zijn weg aflegt. Rechts ervan staat een klok die nadrukkelijk de levensuren van de held wegtikt. De toeschouwers moeten ervan doortrokken raken te kijken naar een toneelspel dat de hartstochtelijke opvlucht van een jongeman beschrijft tot en met zijn ondergang. Van de illusies die iemand najaagt Tief im Tannenwald gaat het naar de runes waarmee de grote, boze buitenwereld is bezaaid.

Lafheid

Wat de beide voorstellingen verbindt is de nadrukkelijkheid waarmee een betekenisrijk maar schimmig figuur, genaamd Den store Böjgen, letterlijk "het grote buigen', als de dood wordt voorgesteld. Ibsen bedoelde hiermee alle halfheid en lafheid, alles wat niet openlijk durft maar achterbaks is. Het is een ongrijpbaar, symbolisch spooksel. Dat hij zowel in de Noorse als de Zweedse visie de dood vertegenwoordigt, is veelzeggend. Hij gaat ook min of meer hetzelfde gekleed: in zwart kostuum met hoed op. Bleek geschminkt, zwarte lijnen langs lippen en ogen.

Beide regisseurs beschouwen Peer Gynts rusteloze omzwervingen uiteindelijk als een strijd met de dood, die hem voortdurend de voet dwars wil zetten.

Toch is het de muziek die bij Ingmar Bergman node ontbreekt, waardoor zijn Peer Gynt een vertoog wordt zonder vervoering, een glas wijn zonder alcohol. Het lijkt of Bergman, en tal van regisseurs voor hem, Ibsen tegen zijn eigen overgevoeligheid in bescherming wil nemen en die overgevoeligheid wijten aan Grieg. Dat is een verkeerde gedachte. Ook de Henrik Ibsen van Nora, Hedda Gabler en van Wanneer wij doden ontwaken is een schrijver met onmiskenbaar sentimentele inslag. Al schreef Ibsen met een beitel, zoals ze die in zijn standbeeld voor de schouwburg van Bergen hebben uitgehakt, de aanleiding tot veel van zijn werk is een gevoelvolle.

Een bezoek aan het theater van Bergen om Peer Gynt bij te wonen, is kaal zonder een bezoek aan de villa van Grieg aan een fjord verderop. Troldhaugen is een stijlvol huis, opgetrokken van hout, met een serre voor de thee in de namiddag. Mij intrigeerde vooral het sobere componeerhutje langs de helling omlaag naar het water. Het is enkele meters in het vierkant; de wanden van dennehout zijn kaal gelaten. In de hoek een kachel. Er is een piano. Voor het venster de werktafel met daarop pennen, inktpotten, vloeipapier, beschreven vellen muziekpapier.

Het uitzicht op de fjord is van een onwereldse rust en sereniteit. Filteren de bomen het licht dat op het hutje valt, verderop is de waterspiegel een schittering van beweeglijke vonken zonlicht.

Wie hier geen goddelijke muziek kan componeren, kan het nergens. Dat was mijn eerste gedachte. Hier moet de inspiratie wel vanzelf komen. Het geritsel van de wind in de bomen, 's nachts het gezang van de nachtegaal, ja, heel de Morgenstimmung en Tief im Tannenwald en de prelude Peer Gynts Heimkehr en al het andere vond Grieg 's morgens gewoon uitgeschreven liggen op zijn werktafel. Verdedigde hij niet de mening dat de natuur een onuitputtelijke compositie was, waar hij alleen maar zijn oor tegenaan hoefde te leggen om op melodieën te komen?

Tent

Dat blijkt niet waar te zijn. Ik ben eens goed gaan luisteren naar die geluiden van de Noorse natuur. Ik sliep niet in een hotel in de stad maar zo'n honderd kilometer buiten Bergen, in een tent onder de open hemel. Op een verlaten plek waar geen mens kwam. Er was alleen maar natuur, onstuimig veel. Maar die zweeg eigenlijk aldoor, afgezien van eentonig bladgeritsel in de berkebomen, maar daarin kon ik contrapunt noch harmonie ontdekken.

Toen opeens, ver in de nacht, klonk vanuit het struikgewas het lied van de Noordse nachtegaal. Het was nog licht. De middernachtszon wilde niet van wijken weten. Ik dacht, geestdriftig, dat ik het geheim van Griegs componeerkunst had ontdekt. Zijn pastorale muziek was niet meer dan een nabootsing van het gekwinkeleer van de Noordse nachtegaal, zijn stiekeme, nachtelijke muze.

Maar het was niet zo. Bij nader onderzoek bleek dat de Noordse nachtegaal niet in Noorwegen voorkomt, de gewone evenmin. Nu hindert dat geenszins in het geval van Grieg, want een eigenschap van zijn muziek is wèl het telkens oplopend crescendo. Het moest een ander zangertje zijn, niet de Noordse nachtegaal die me voor Griegs muziek zo toepasselijk leek.

Na vijf ochtenden, avonden en nachten in de fjordennatuur te hebben doorgebracht, weet ik het zeker: Edvard Grieg componeerde uit de overvloeiende rijkdom van zijn Noorse hart. Voor zijn pastorale muziek bij Peer Gynt hoeft geen regisseur of toeschouwer zich te schamen. Het is mysterieus en melodisch; in al zijn sentiment is het zelfs even tragisch als de onstuimige lotgevallen van Peer Gynt, een verdoold personage dat de wijde wereld intrekt om te ontdekken dat hij thuis had moeten blijven.

    • Kester Freriks