Een schaars verlichte hel; Aangrijpende verhalen van G.L. Durlacher

G.L. Durlacher: Quarantaine. Uitg. Meulenhoff, 111 blz. Prijs ƒ 24,90.

”Er zijn maar weinig ooggetuigeverslagen die verder gaan dan bevrijding of capitulatie', schreef G.L. Durlacher in een nawoord bij Strepen aan de hemel (1985), zijn oorlogsherinneringen. De bevrijding lijkt immers het slot van het ellendige verhaal. Maar de thuiskomst was voor veel van de bevrijde joodse gevangenen helemaal niet zo plezierig, vooral niet in de Oostbloklanden. Voor de belevenissen van de overlevenden was, als zij er zelf al woorden voor wisten te vinden, weinig oor.

Die kille ontvangst is een steeds terugkerend motief in De zoektocht (1991), waarin Durlacher verslag deed van zijn hernieuwde ontmoetingen met leeftijdsgenoten over de hele wereld die net als hij het Männerlager Birkenau II D overleefden. ”Zijn terugkomst in Tsjechoslowakije is bijna identiek aan alle terugkomsten', tekende hij op over Mischa K. ”Geen ouders, nauwelijks familie, soms een kennis, soms een verre oom. Een pleeggezin dat warmte geeft is een godsgeschenk'. Nederland nam volgens Durlacher ”een middenpositie in op de thermometerschaal van de menselijkheid'.

Zelf kwam hij, zoals hij schrijft in een van de verhalen in zijn nieuwe bundel Quarantaine, aanvankelijk terecht bij een tante, die geen enkel begrip voor hem toont en die, waarschijnlijk uit zelfbescherming, zijn gruwelijke ervaringen bagatelliseert. Zelfs als de huisarts een hartafwijking constateert, ten gevolge van in het kamp doorleden ziektes als difterie en vlektyfus, meent zij nog dat hij een aansteller is. ”Als haar zoons konden leren, houthakken, sjouwen en het water dagelijks oppompen, moest ik dat ook kunnen.'

Hij heeft wel meer onaangename ontmoetingen, met een foute politieman (die nog steeds op zijn post zit), inhalige buren en een racistische aardrijkskundeleraar, maar over zijn slechte ervaringen weidt hij niet speciaal uit. Meer aandacht besteedt hij aan de mensen die hem wel goedgezind waren, die hem hielpen in twee jaar de vijfjarige H.B.S. te voltooien, en die bijdroegen aan het gevoel dat hij zich in de naoorlogse wereld staande zou kunnen houden.

De overige drie verhalen in de bundel zijn korte, aangrijpende ooggetuigeverslagen van vlak voor en na de oorlog. De optimistische gedachte dat Holland onneembaar was dankzij de Waterlinie, werd weggeblazen door het bombardement op Rotterdam dat het huis van vader, moeder en zoon Durlacher gedeeltelijk verwoestte, want ook dat bleef hun niet bespaard. In 1942 werd het gezin opgepakt en op de trein gezet naar Westerbork. Durlacher beschrijft de chaotische en vernederende aankomst en de eerste nacht in dit propvolle doorgangskamp, ”een schaars verlichte hel', waar iedereen moest vechten voor een slaapplaats. Van de internering in Westerbork en vervolgens in Theresiënstadt geeft hij maar een paar indrukken, en dus geen gedetailleerde beschrijving van de dagelijkse gang van zaken.

Het bijzondere van deze verhalen is dat er geen onverzoenlijke wrok of wraakgier in te bespeuren valt. Boosheid is er wel, en vooral verbijstering en ontzetting over het leed dat hem, zijn familie en vrienden wordt aangedaan, maar bitterheid of cynisme staat hij zichzelf alleen bij hoge uitzondering toe. Durlacher heeft een zuivere toon weten te treffen, die niet koel en afstandelijk is en ook niet sentimenteel of klagerig. Aan het woord is nog altijd de onbedorven jongen die hij een halve eeuw geleden moet zijn geweest: een jongen die ondanks alle ellende, honger en angst voor de dood in Westerbork verliefd kon worden op het meisje Hannelore, dat optrad in het cabaret van Max Ehrlich en op wonderbaarlijke wijze gespaard bleef voor de gaskamers. ”Geen woord had ik ooit met haar gewisseld, geen blik had zij mij, de veertienjarige leerjongen uit de metaalwerkplaats, waardig gekeurd en - erger nog - zij wist waarschijnlijk niet eens dat ik, haar vurige bewonderaar, die keer op keer onder valse voorwendsels en zonder bewijs van toegang de zaal was binnengeslopen, bestond.'

een rode draad door deze verhalen en trouwens door het hele werk van Durlacher, loopt het besef dat hij, enig kind, tussen volwassenen maar al te vaak onopgemerkt bleef. Hij kan hun gesprekken niet volgen, begrijpt hun agressieve gedrag niet, en voelt zich overbodig. ”Vrijwel niemand bemoeit zich met mij. Een veertienjarige telt bij de ouderen niet mee', stelt hij weer eens vast als hij in quarantaine in de ziekenboeg ligt. Niet voor niets is aan deze quarantaine de titel van de bundel ontleend. Steeds achtervolgt hem het idee in afzondering te leven, een buitenstaander te zijn, zowel voor, tijdens, als na de oorlog. Vandaar zijn erkentelijkheid voor de clandestiene bokslessen van de onverschrokken Bennie Bril in Westerbork en voor de algebralessen van de zachtaardige wiskundeleraar Belinfante in Theresienstadt.

Aan deze enkelingen ontleende hij troost, omdat zij niet alleen oog hadden voor hem, maar ook voor zijn toekomst, hoe somber die er ook uitzag in 1944.

    • Janet Luis