Een gevaarlijk potje

Toen de mier en de eekhoorn vijf beukenoten, drie borden room, een taart en twee puddingen hadden gegeten zei de eekhoorn:

“Ik heb nog een klein potje honing. Zal ik dat maar bewaren?”

“Dat is goed”, zei de mier die bij hem op bezoek was. Zij konden zich niet goed meer verroeren en keken langdurig naar het plafond boven hun hoofd, maar na een uur vroeg de mier: “Hoe groot is dat potje eigenlijk, eekhoorn?” “Klein”, zei de eekhoorn en hij wees met twee vingers aan hoe klein. “Ja, zei de mier, “dan kan je het beter bewaren.”

De eekhoorn knikte.

“Heb je het allang?”, vroeg de mier. “Tamelijk”, zei de eekhoorn. “Hoe lang bewaar jij zo'n potje meestal?”, vroeg de mier. “Dat ligt eraan”, zei de eekhoorn. “Ik bewaar ze nooit lang”, zei de mier. Even zweeg hij, toen zei hij: “Maar dat zegt natuurlijk niets.”

Een tijdje later vroeg hij wat voor honing het was, en weer later waarom de eekhoorn het eigenlijk wilde bewaren en voor wat voor gelegenheid. “Dat weet ik niet”, zei de eekhoorn, “vind je dat raar? “Ja”, zei de mier, “dat heeft iets raadselachtigs.” “O”, zei de eekhoorn.

Niet lang daarna vroeg de mier of hij het potje even mocht zien. De eekhoorn haalde het te voorschijn. De mier bekeek het langdurig. Af en toe knikte hij even veelbetekenend. “Het is een gevaarlijk potje, eekhoorn”, zei hij, “een heel gevaarlijk potje. Dat kan je wel zien. We moeten het òf nu opeten òf zo goed opbergen dat we het vergeten. Anders delven we het onderspit.”

“ Het onderspit?”, vroeg de eekhoorn. “Ja”, zei de mier. “Zo heet dat. Het onderspit. En dat is niet leuk!”

Hij keek heel ernstig en bezorgd. Het potje zo goed opbergen dat ze het zouden vergeten - dat was onmogelijk, meenden zij. En dus maakten ze het open en aten de honing vliegensvlug op.

Pas daarna voelden zij zich weer veilig en gerust.

    • Toon Tellegen