Dwalende kater

Anke Kranendonk: Van huilen krijg je dorst. Met tekeningen van Saska Halfmouw. Uitg. Lemniscaat. Prijs ƒ 19,90. Vanaf ca. 6 jaar.

Albert Megens: Fien. Met tekeningen van Ruud Bruijn. Uitg. Van Goor. Prijs ƒ 22,50. Vanaf 9 jaar.

Jurij Brezan/Kveta Pacovská: Kater Mikosch. Vertaling Bart Moeyaert. Uitg. Elzenga. Prijs ƒ 22,90. Vanaf ca. 5 jaar.

Gerda Marie Scheidl: Eefje en de kleine fee. Met illustraties van Christa Unzner-Fischer. Vertaling Sjoerd Kuyper. Uitg. De Vier Windstreken. Prijs ƒ 19,90. Om zelf te lezen in de laatste maanden van groep 4.

Dit jaar zal de kinderboekenweek (13-23 oktober) in het teken staan van "vriendjes, maatjes, kameraadjes', en daarmee komt zo ongeveer het breedste thema aan bod dat er in de jeugdliteratuur te vinden is. Je hoeft maar een willekeurige greep uit het kinderboekenaanbod te doen en in negen van de tien gevallen is het prijs, zoniet als thema, dan toch als motief. In de hieronder besproken boeken, die verder weinig met elkaar gemeen hebben, bleek de meest conventionele vorm van vriendschap - die tussen twee kinderen - er nogal bekaaid af te komen: achtereenvolgens passeerden, in combinatie met een kind als hoofdpersoon, een ten dode opgeschreven oom, een hond, een kater en een fee de revue.

In Van huilen krijg je dorst, het debuut van Anke Kranendonk, krijgt het jongetje Joris van zijn moeder te horen dat zijn lievelingsoom Hugo niet lang meer te leven heeft. Joris begrijpt er niet veel van, zijn oom is dan wel ziek maar hij loopt gewoon rond en is zelfs niet te beroerd om een potje te voetballen. De schrijfster koppelt - niet erg origineel - de naderende dood van Joris aan de zwangerschap van zijn moeder en de climax laat zich raden. Daar staat tegenover dat ze op een bijna luchtige, voor jonge kinderen heel begrijpelijke manier schrijft over het verliezen van een dierbaar iemand. Joris registreert wat er allemaal gebeurt, hij raakt langzamerhand aan het idee gewend maar toch ook weer niet, zoals na de begrafenis blijkt: “Hij wil even Hugo bellen, vertellen hoe het geweest is.” Een "bijzonder debuut', zoals de uitgever het aanprijst, zou ik dit boekje niet durven noemen - daarvoor is er in dit genre te veel concurrentie - maar in z'n eenvoud en pretentieloosheid heeft het beslist z'n charme. Saskia Halfmouw, onmiskenbaar een leerling van Sylvia Weve, maakte de grappige en tegelijkertijd aandoenlijke tekeningen.

Fien, de hoofdpersoon in het gelijknamige boek van Albert Megens, heeft haar zinnen gezet op een zielige hond. Het beest kwijnt helemaal weg als z'n baasje in het ziekenhuis ligt en Fien zal daar wel eens even iets aan doen. Naarmate de toekomst van de hond onzekerder wordt, gaat Fien zich strijdbaarder opstellen: de onvoorwaardelijke dierenliefde die haar drijft zullen veel kinderen herkennen. Maar met de beschrijving van een hoogst merkwaardige koortsdroom, die Fien inzicht verschaft in haar eigen zieleroerselen, maakt Megens het zichzelf knap ingewikkeld. Hij ziet geen kans deze "stijlbreuk' geloofwaardig over te brengen en wringt zich overduidelijk in bochten om zijn overigens vlot geschreven boek tot het noodzakelijke goede einde te brengen. Wellicht is het hem daarom ontgaan dat temidden van eigentijdse verschijnselen als leggings en walkmans zomaar opeens "het paard van de melkboer' opduikt.

De onlangs (voor De kleine koning) met een Zilveren Penseel bekroonde Kveta Pacovská maakte de tekeningen bij Jurij Brezans Kater Mikosch, een aandoenlijk verhaal over een zwarte kater die de weg kwijtraakt en noodgedwongen een tijdlang met een circus meereist. Mikosch' vriendschap met de circusbeesten, waaronder een goeiige leeuw die hem als zijn "broertje' beschouwt, kan niet verhinderen dat hij erg naar huis verlangt, en dus zetten ze er met z'n allen de schouders onder om Mikosch weer thuis te krijgen, bij z'n geliefde baasje. In de vertaling van Bart Moeyaert, toch niet de eerste de beste, zijn helaas nogal wat lelijke fouten geslopen, zoals "het publiek klapte in haar handen'. Dit soort slordigheden is extra storend omdat het boek er smaakvol uitziet (al moet worden gezegd dat Pacovská's eigenzinnige tekeningen in zwart-wit niet zo goed tot hun recht komen als in kleur).

In de voor beginnende lezers opgezette "Hoera, ik kan lezen'-serie verscheen Eefje en de kleine fee van Gerda Marie Scheidl, over een meisje dat een nogal onconventioneel ogend feetje helpt een grote fee te worden. De strekking is ronduit braaf: om te bereiken wat ze willen is een daad van liefde nodig, zo ontdekt het tweetal uiteindelijk. Minstens zo zoetelijk als het verhaaltje zijn de in pasteltinten uitgevoerde illustraties, die nog het meest doen denken aan de ooit zo populaire Holly Hobbie-stijl.