Duits theater hekelt de strooplikkende kleine man

Holland Festival. Voorstellingen: * Der zerbrochne Krug van Heinrich von Kleist door het Deutsches Theater Berlin. Regie: Thomas Langhoff. Spel: Jörg Gudzuhn, Klaus Piontek, Thomas Neumann, Ulrike Krumbiegel, Gudrun Ritter e.a. Gezien: 16/6 Stadsschouwburg, Amsterdam. * Die Rede an den kleinen Mann, monoloog van Wilhelm Reich door Ignaz Kirchner. Regie: Peter Mussbach. Gezien: 17/6 Bovenzaal Stadsschouwburg, Amsterdam. Nog te zien op 18/6 aldaar.

Het Deutsches Theater Berlin, dezer dagen met drie ensceneringen in Amsterdam op uitnodiging van het Holland Festival, kent een bewogen geschiedenis. Zijn faam dankt het met name aan Max Reinhardt, die in 1933 voor de nazi's vluchtte. Na de oorlog nam Wolfgang Langhoff de leiding van het Oostberlijnse gezelschap op zich, maar hij werd in 1963 ontslagen omdat hij een stuk had opgevoerd dat de DDR-autoriteiten onwelgevallig was. Sinds 1991 heeft zijn zoon Thomas Langhoff het instituut aan de Schumannstrasse onder zijn hoede.

De eerste in Amsterdam gepresenteerde voorstelling van het Deutsches Theater Berlin werd door Langhoff geregisseerd: Der zerbrochne Krug van Heinrich von Kleist. De mooiste momenten in het werk van Kleist zijn die waarin zijn personages het bewustzijn dreigen te verliezen. Dan, in een staat van opperste verwarring, zien zij de waarheid omtrent hun eigen bestaan en met zo'n moment begint zijn in 1805 geschreven blijspel Der zerbrochne Krug. Langhoff maakt er met subtiele belichting een surrealistische scène van. Door hoge vensters valt het licht naar binnen, in koele witte stralenbundels, want het is winter in het dorpje Huisum. Dorpsrechter Adam (Jörg Gudzuhn), een stevige kerel met een glanzende kale schedel, zit in zijn nachtpon onder het venster. Door een verblindende lichtstraal verliest hij zijn evenwicht, zijn troon wankelt en even later biecht hij zijn griffier op wat hij zojuist gedroomd heeft: dat hij, de rechter, zichzelf vandaag berechten moet.

Dorpsrechter Adam is aanklager en aangeklaagde tegelijk, een toespeling op Sofokles' Koning Oedipus. Ook uiterlijk lijkt hij op de Thebaanse koning: Adam heeft een klompvoet, ja, hij ziet er duivels uit. Van meet af aan staat vast dat wij hem en niemand anders moeten verdenken van het misdrijf dat in het dorp gepleegd is. Dat maakt de ontknoping erg voorspelbaar en de spanning wordt niet door actie opgeroepen, maar door het kat- en muisspel tussen de dorpsrechter en zijn voornaamste tegenspeler, raadsheer Walter (Klaus Piontek), die onverwacht langskomt ter inspectie van de rechtspraak op het achterlijke platteland.

Tijdens de lange en chaotische rechtszitting wordt het uithoudingsvermogen van het publiek flink op de proef gesteld. Het valt niet mee om tweeënhalf uur achtereen te moeten luisteren naar kwinkslagen en woordspelingen die lang niet altijd even geestig zijn, en dat alles in een soms oubollig Duits ("Ei, du mein goldnes Mädchen, HerzensBraut!"). Toch mis je veel moois wanneer je geen aandacht voor de tekst hebt. De dorpelingen in de rechtszaal praten virtuoos langs elkaar heen. Woorden hanteren ze niet om bruggen naar elkaar te slaan maar om zichzelf tegen de anderen te beschermen; hun gebrek aan solidariteit weerlegt het sprookje van de harmonieuze dorpsgemeenschap. Men is halfslachtig, laf, gespleten.

Verwijst het Deutsches Theater Berlin hiermee naar de verklikkersmentaliteit in de voormalige DDR? Of moeten we het als kritiek op de kille omgangsvormen in het Westen opvatten? Langhoffs enscenering beleefde zijn première immers in 1990, het jaar van de niet door iedereen gewenste Wiedervereinigung. Zoveel is duidelijk, deze regisseur heeft weinig op met de dragers van het staatsgezag, om het even of zij nu de oude orde vertegenwoordigen, belichaamd door de lompe dorpsrechter Adam, of de nieuwe, gepersonifieerd in de geslepen raadsheer Walter. De een chanteert met vervalste documenten, de ander wappert slinks met bankbiljetten.

Hoewel Langhoffs regie zeker niet avantgardistisch genoemd kan worden, doet zij, dankzij het tijdloos mooie ensemblespel, minder achterhaald aan dan menige andere enscenering uit de voormalig communistische landen.

De tweede voorstelling van het Deustches Theater Berlin, die vanavond nog te zien is, betrof Die Rede an den kleinen Mann, een monoloog van Wilhelm Reich door Ignaz Kirchner, in de regie van Peter Mussbach. De van oorsprong Westduitse acteur Ignaz Kirchner is pas sinds 1992 vast verbonden aan het Deutsches Theater Berlin. Daarvoor speelde hij onder meer bij de Münchener Kammerspiele en bij het Weense Burgtheater. Over dat prestigieuze theater vertelt hij in zijn solovoorstelling een bittere grap. Toen hij daar eens optrad met zijn Rede an den kleinen Mann wilde hij op het podium één pagina uit de gelijknamige tekst van Wilhelm Reich verbranden, als symbolische daad. Onmiddellijk stormden tientallen Weense brandweerlieden op het brandje af. Wat een contrast, zegt Kirchner, met wat er in 1956 in Maine, VS, gebeurde: daar werd het complete oeuvre van Reich verbrand.

De Weense marxist en psychoanalyticus Wilhelm Reich, veroordeeld vanwege zijn onconventionele genezingsmethoden, stierf in 1957 in een Amerikaanse gevangenis. Ziet Kirchner hem als martelaar? In elk geval spreekt er een bijna religieuze ernst uit zijn gedreven voordracht. Het lijkt of Kirchner, gestoken in zijn mooiste maatkostuum, namens zichzelf getuigt. Het toneelbeeld oogt calvinistisch sober: een schoolbord, een paar houten stoelen, een spotlight, dat is alles. Reichs Rede begint met een lange reeks verwijten aan de kleine man. Deze zou niets leren van de geschiedenis, hij zou een sexuelles Schwein zijn, een strooplikker, een hersenloze consument. Soms kijkt Kirchner het publiek strak aan, om ons te doen beseffen dat wij geen haar beter zijn dan de man die hij zo afschrikwekkend portretteert. Gelukkig doet hij ons ook een oplossing aan de hand. Als we meer liefhebben en beter naar onze innerlijke stem luisteren, dan komt het misschien nog wel goed met deze wereld.

Kirchner beschikt over een enorm arsenaal aan expressiemiddelen, waar hij smaakvol mee omgaat. Toch ligt het moralisme er duimdik op, heel anders dan bij Thomas Langhoff: die brengt zijn moralisme op aangenaam indirecte wijze aan de (kleine) man.

Morgen brengt het Deutsches Theater Berlin in de Amsterdamse Stadsschouwburg Toergenjevs Ein Monat auf dem Lande, opnieuw een regie van Langhoff.

    • Anneriek de Jong