De Leidse student-auteurs 1830-1840; Ontwaakt mijn lier, barst los mijn snaren

Peter van Zonneveld: De Romantische Club. Leidse student-auteurs 1830-1840. Leiden 1993. 218 blz. Prijs ƒ 49,50 (distributie Boekhandel Kooyker, Breestraat 93, Leiden).

"De strijd van het romantisme, welks geklikklak, uit Frankrijk tot ons overgekomen, hier te lande nagalmde, overmeesterde vele jeugdige hoofden en vond onder onze Student-Autheurs, leden der Rederijkers-Kamer, deszelfs dweependste en dolzinnigste voorvechters.' Zo begon Klikspaan zijn schets over de Rederijkers-Kamer voor Uiterlijke Welsprekendheid, opgenomen in zijn Studentenleven van 1844. Hij schetste de teloorgang van de tijd van het blanke marmer, het en vogue raken van wat zwaar verguld of zwaar geemailleerd was. Wat romantiek toen betekende en wat er nu onder verstaan wordt, wie die student-auteurs waren en waarom ze zich verenigden in een rederijkerskamer, door welke auteurs ze zich lieten inspireren en door welke afkraken, die vragen stelt Peter van Zonneveld zich in een boek dat zich wel aandient als dissertatie maar dat gewoon een alleraangenaamst leesboek is.

Het geheim van het boek is, denk ik, dat onderwerp en auteur eigenlijk niet van elkaar te scheiden zijn. Wie het werk van Van Zonneveld in de afgelopen twintig jaar dat hij in de neerlandistiek werkzaam is gevolgd heeft, komt niet onder de conclusie uit: geschreven door een vroeg-negentiende-eeuwer in hart en nieren. Gewoon veel te laat geboren en dus maar de negentiende eeuw naar nu verhuisd, daar lijkt het op. Van Zonneveld heeft overigens niet alleen een tijdperk maar ook een methode in ere hersteld. Je kan hem in dit opzicht zeker geen vernieuwer, eerder een verouder noemen, een restaurator, iemand die de liefdevolle verzinking in het detail prefereert boven de grafisch onderbouwde generalisatie.

Men slaat het boek open en rijdt de diep vervallen academiestad Leiden binnen. Men loopt de grachten af, beloert de universitaire gemeenschap, wordt gemeenzaam met het studentenleven. Dan wordt het stadje uit zijn lethargie gerukt door wapengekletter: de Belgische opstand en de Leidse reactie erop, het uittrekken, zich vervelen, schermutselen en weer terugkeren van de Leidse jagers wordt van nabij beschreven, evenals het literaire leven te Leiden, die andere achtergrond van de Leidse student-auteurs. Daarmee is het spanningsveld geschetst, branie en braafheid, vertoon en ingetogenheid, gemaniëreerde somberheid en vormelijke opgewektheid.

Kleinsteedsheid

En daar tussenin staat de auteur, die rekkelijkheid in definities en eclectiek in wetenschappelijke voorkeur combineert met de behoefte de tijd te doen herleven in zo'n wonderlijke alledaagsheid van kleinsteedsheid en genootschapsleven, opgewondenheid en rust.

Alleraangenaamst is de negentiende eeuw van Van Zonneveld. Hij schrijft wel over de romantiek in zijn zwarte vorm, maar hij weet duidelijk te maken dat die geleende romantiek hier te lande een Biermeierjasje aanhield. Het wilde wel groots en meeslepend leven maar het deed het eigenlijk niet. Het bleef in de meeste gevallen bij een meeslepend gebaar, bij een toneelmatige voorstelling, om Klikspaan nog een keer te citeren.

Het is dan ook de aanpak veeleer dan het onderwerp dat de lezer vasthoudt. Behoudens Beets en Kneppelhout zijn de student-auteurs uit die periode uit de canon verdwenen en het is niet het gecanoniseerde werk van beide auteurs dat hier centraal staat, niet de prachtige fysiologische studies van het studentenleven van Kneppelhouts alter ego Klikspaan, niet de Camera Obscura van Hildebrand/Beets. Nee, juist die wat moeizame Franse gooi naar de onsterfelijkheid van Kneppelhout, zijn Fragments de Correspondance, L'Education par l'amitié en L'Ere critique, juist die wat overspannen dichtepen van Beets, zijn Spaanse verhaal Jose, zijn Kuser en Guy de Vlaming, draken met permissie, zijn het onderwerp van Van Zonneveld. Ze stellen hem in staat de onmiskenbare invloed van bijvoorbeeld Victor Hugo en Byron vast te stellen, zij geven hem de gelegenheid menig aperçu over de romantiek in het algemeen en de Leidse variant in het bijzonder te formuleren. Grote citaten evenwel levert het niet op.

Zo is het ook bij het genootschapsleven waarin Kneppelhout en verwanten zich stortten. Het "ontwaakt mijn lier, barst los mijn snaren' van de vergaderingen van de rederijkerskamer heeft iets pronts. Op een van die vergaderingen draagt Beets bijvoorbeeld het gedicht "De meinëed' van Withuys voor. Dat gedicht gaat volgens Van Zonneveld "over een zeeman die voor het eerst een boot moet besturen. Hij belooft aan zijn geliefde, dat hij zich bij onheil om harentwil als eerste in veiligheid zal stellen. Op zee breekt er tijdens een storm brand uit. Vele opvarenden worden gered. De laatste reddingsboot brengt het lijk van de zeeman aan wal. Een kus van zijn geliefde wekt hem echter weer tot leven.' Dat is een voor de goede smaak zeer belachelijk en voor de negentiende eeuw zeer veelzeggend gedicht.

Zonneklaar

De groten uit de Nederlandse literatuur van die dagen komen overigens wel aan de orde, maar dan als critici van de romantici. Potgieter en Bakhuizen van den Brink, Thorbecke en Geel, ze moesten weinig van de overspannen gedachten en gevoelens van de student-auteurs hebben. Met name de reacties van Geel, de Leidse filoloog en bibliothecaris, fungeren menig maal als zuiverende kroniek in deze licht troebele atmosfeer. Het belang van iemand als Geel, het gemis van een monografie van enige omvang over hem, is met deze studie van Van Zonneveld weer eens zonneklaar aangetoond.

Maar vooral is het boek van belang door het ingenu waarmee het verhaal verteld wordt, door de nabijheid van het verleden. Het boek heeft het karakter van een literaire wandeltocht, waarbij de lezer in staat gesteld wordt niet alleen een blik te werpen in de stille kast van de dichtende student, maar ook met de neus tegen het raam van het Heerenlogement, om een glimp op te vangen van de tweede, jazelfs volledig aanwezig te zijn in de Stadsgehoorzaal voor de bijwoning van de derde buitengewone vergadering van de Rederijkerskamer. 't Is waar, men "rayonneert' van genoegen.

    • Willem Otterspeer