Contract Wijkertunnel met verkeerde cijfers berekend

DEN HAAG, 18 JUNI. Het is 22 juni 1992. Minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) deelt de Tweede Kamer vertrouwelijk mee dat het concept-contract dat de overheid met een bankconsortium onder leiding van de ING-Bank is overeengekomen “een doorbraak betekent op het gebied van de private finaciering door het rijk”. Na een jaar van moeizaam onderhandelen is dit contract “het maximaal haalbare in de markt van de private financiering en exploitatie”, schrijft Maij-Weggen.

Maar de Tweede Kamer is het er niet mee eens. De prijs die de ING-Bank heeft bedongen, zo begrijpen de Kamerleden na inschakeling van de Stafcommissie voor de rijksuitgaven (een ambtelijke commissie die de Tweede Kamer adviseert), ligt onverantwoord veel hoger dan van financiering door het rijk zelf. Omdat financiering van de Wijkertunnel door de overheid uitgesloten is - het Rijkswegenfonds biedt onvoldoende soelaas - stuurt de Kamer de minister naar de onderhandelingstafel terug.

Aan die tafel wordt vervolgens opnieuw onderhandeld over een van de belangrijkste redenen waarom het contract tussen het bankconsortium en minister Maij-Weggen zo duur is, het zogeheten exploitatierisico. Dit houdt in dat het bedrag dat de overheid aan de private financier vergoedt, voor een groot deel is gebaseerd op het aantal auto's dat de eerste dertig jaar van de tunnel passert. Per auto betaalt het rijk een vast bedrag aan de financier.

De financier heeft er belang bij uit te gaan van lage vervoersprognoses. In dat geval immers kan een hogere prijs per passage worden bedongen, terwijl de mobiliteit volgens de meeste scenario's toch wel toeneemt. Hoewel het ministerie met hoge vervoersprognoses de onderhandelingen ingaat die leiden tot het juni-contract, gaat men uiteindelijk akkoord met de veel lagere van het bankconsortium - en daarmee met een hogere prijs per passage.

In de nieuwe onderhandelingen met de ING-Bank, die het lucratieve contract niet wil laten lopen, wordt een lagere prijs per passerende auto afgesproken. Besloten wordt dat het rijk een aantal risico's overneemt. Het bankconsortium besluit de vervoersprognoses in opwaartse richting bij te stellen.

Op 1 september stuurt minister Maij-Weggen de Tweede Kamer een brief waarin zij aankondigt dat het door de ING-Bank aangeboden tarief van de zogenoemde eerste schijf (de eerste 35 miljoen auto's) is verlaagd van 1,98 naar 1,79 gulden per auto. De tarieven van de andere vier schijven blijven ongewijzigd: 1,54 gulden (35 tot 38 miljoen passages); 1,34 (38 tot 41 miljoen); 1,14 (41 tot 44 miljoen); en 0,49 gulden (vanaf 44 miljoen auto's). De bank gaat hiermee akkoord, want “thans is uitgegaan van hogere passages die meer overeenstemmen met de eerder door de staat versterkte prognoses”.

Omdat het definitieve contract nog niet is gesloten, krijgen de Kamerleden verder weinig details toegestuurd. Die volgen later, begrijpt en accepteert iedereen. Wel wordt de Stafcommissie voor de rijksuitgaven in staat gesteld het voorlopige contract na te rekenen. Daaruit blijkt niets onrustbarends.

In het debat dat op 9 september volgt worden de hogere vervoersprognoses enkele malen genoemd, met name door de minister. De Kamerleden gaan er echter nauwelijks op in. Het debat gaat over het “bevredigende resultaat” (Reitsma, CDA) van de tweede onderhandelingsronde, waarin de meerprijs van private financiering immers is gedaald. De oppositie keert zich weliswaar tegen het contract, maar doet dit niet door te wijzen op de hogere vervoersprognoses. Het Kamerlid Wolffensperger (D66) rept van algemene bezwaren tegen private financiering van infrastructuur, Lankhorst (GroenLinks) valt de minister erop aan dat het “maximaal haalbare” eindbod van juni kennelijk geen eindbod wás. “Als een aantal woordvoerders in de Kamer niet alert was geweest, had de minister een veel te duur contract ondertekend.”

Hoewel Maij-Weggen tot twee maal toe zegt dat de vervoersprognoses in opwaartse richting zijn bijgesteld, reageert alleen het Kamerlid Reitsma. “De financier is met zijn eigen berekeningen dichter bij de prognoses van de rijksoverheid komen te zitten. Dat betekent dus een verschil. Dit verschil kost de overheid niets. Wij kunnen nu alleen maar zeggen dat men dichter bij onze berekeningen is gekomen.”

In december 1992 stuurt de minister het definitieve contract naar de Tweede Kamer. Het is een lijvig stuk, met diverse bijlagen. In een aanbiedingsbrief somt Maij-Weggen de belangrijkste verschillen met het juni-contract op. In bijlage 10 zijn de vervoersprognoses tot en met het jaar 2025 opgenomen, maar daar wordt met geen woord naar verwezen. Er lijkt ook geen reden toe. Het ministerie, zo heeft Maij-Weggen de Tweede Kamer immers verzekerd, heeft door de combinatie van een lagere prijs per passage en het enigszins bijstellen van de vervoersprognoses een contract gesloten dat goedkoper is dan het vorige contract. De Kamerleden, vertrouwend op de kennis en kunde van de Stafcommissie voor de rijksuitgaven, kijken contract en bijlagen verder nauwelijks in.

Pas wanneer op 2 juni van dit jaar uit berekeningen van de Algemene Rekenkamer een meerprijs van private financiering van 34 procent naar voren komt, schakelt de Tweede Kamer nogmaals de Stafcommissie voor de rijksuitgaven in. Die trekt alle stukken nog eens na, inclusief bijlage 10. Tot verrassing van de commissie zijn de vervoersprognoses van het definitieve contract anders dan die waarop de Stafcommissie voor de rijksuitgaven zich in september baseerde. “Hieruit moet de conclusie worden getrokken dat abusievelijk de verkeerde cijfers aan de staf zijn voorgelegd.” Op de dag dat de Stafcommissie voor de rijksuitgaven de laatste hand legt aan haar berekeningen, 17 juni, kopt De Gelderlander dat minister Maij-Weggen "de Kamer informatie onthield'.

Private financiering van de Wijkertunnel kost 718 miljoen gulden, financiering door het rijk zou 563 miljoen kosten - een verschil van 27 procent. Tegelijk meldt de Stafcommissie dat “de meerkosten bij de eerste, door de Kamer als niet verantwoord aangemerkte aanbieding 26 procent bedroegen”. Deze conclusie is voor commentaar voorgelegd aan minister Maij-Weggen. De minister zal schriftelijk reageren voordat ze volgende week met de Tweede Kamer in debat gaat.

De eerste paal voor de Wijkertunnel ging een paar weken geleden de grond in.