Verzorgingsstaat op zoek naar een nieuw evenwicht; Deskundigen bespiegelen de metamorfose van het sociale stelsel

ROTTERDAM, 17 JUNI. Een socioloog (C.J.M. Schuyt) die terug wilde keren naar oude normen en waarden versus een econoom in overheidsdienst (G. Zalm) die de revolutie predikte. De tijden zijn veranderd. Beiden gaven gisteren hun visie op de "Metamorfose van de verzorgingsstaat'. Het lot van ruim vier miljoen mensen met een uitkering werd bediscussieerd in het luxueuze Rotterdamse World Trade Center à raison van 475 gulden per persoon.

Minister B. de Vries van sociale zaken kwam melden dat die metamorfose al lang is ingezet. De leidraad daarbij: steeds meer financiële prikkels. De Vries wees op de premiedifferentiatie in de Ziektewet, op de bonus/malus-regeling in de WAO (door Schuyt getypeerd als “juridisch absurd”), op de herziening van de Organisatiewet (strenger toezicht op de uitvoering van sociale wetten, met meer aandacht voor minder uitkeringen), en op de plannen met de Bijstandswet (gemeenten worden financieel geprikkeld om het beroep op bijstand te verminderen).

Wel financiele prikkels, maar alstublieft geen blauwdruk. De Vries: “De Eerste Kamer wil nu een depolitiserende studie over de toekomst van de sociale zekerheid. Anderen willen een blauwdruk. Ik ben geen voorstander van zulke grote totaalconcepties. Een fundamentele discussie is interessant voor intellectuelen. Maar de politiek staat regelmatig onder grote druk om tussentijds de koers te verleggen. Zie de stelselherziening sociale zekerheid van 1987, en dan spreek ik nog niet eens over het plan-Simons”.

Niettemin ging De Vries vervolgens toch op zoek naar een "stelsel van de toekomst'. Tevergeefs, dus. Het ministelsel bekeek de minister “met enige zorg”. Het kan leiden tot minder collectieve uitgaven, maar dan moet de overheid zich niet meer, via wettelijke structuren of de algemeen verbindend verklaring van CAO's, bemoeien met bovenminimale regelingen. De Vries: “De Eerste Kamer vindt dat de overheid voor chronisch zieken toch weer een bijzondere verantwoordelijkheid draagt. Zo leidt een ministelsel tot grote problemen.”

Als alternatief noemde hij het CNV-model dat is overgenomen door de CDA-commissie-Kolnaar: hevel alle werknemersverzekeringen over naar de sociale partners, waarbij de overheid wettelijke ondergrenzen voor de uitkeringen vaststelt, maar de verzekering overlaat aan het bedrijfsleven. Maar opnieuw zag de minister problemen opdoemen: sociale zekerheidsbreuken zouden de mobiliteit van werknemers verkleinen, terwijl ook hier sommige groepen uit de boot zouden vallen.

De Amsterdamse socioloog prof. Schuyt, (mede-)auteur van De stagnerende verzorgingsstaat (1978), De verdeelde samenleving (1989) en Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat (1991), zette de aanwezige economen - het economenblad ESB was bij de congres-organisatie betrokken - op hun plaats. Met louter prijsbeleid - verlaag de uitkeringen om het beroep erop terug te dringen - kom je er niet, betoogde hij. Zo'n aanpak, volgens Schuyt nu gepraktizeerd door het kabinet, gaat ten koste van mensen die zo'n uitkering echt nodig hebben. “De goede gevallen moeten onder de kwade lijden.” Bovendien schiet zo'n aanpak tekort: tegen de zeer ruime entree naar uitkeringen wordt niets ondernomen.

De idee van de verzorgingsstaat staat in Schuyts visie nog recht overeind. Want de verzorgingsstaat kan zorgen voor “een subtiel evenwicht” tussen “een grof en ruig individualisme en groepsdwang”. Anderzijds erkende hij dat de verzorgingsstaat in Nederland is ontspoord. De slechte economie, de gebrekkige wetgeving, de lankmoedige uitvoering en de calculerende burgers leidden tot een “te genereuze werking”.

Schuyt had echter hoop op een herstel. Zelf vatte hij zijn alternatief samen als “streng en sober, maar voor de juiste gevallen en op minimaal beschaafd niveau”.

Pag 24: Trampoline verdringt vangnet

Een terugkeer naar de verzorgingsstaat van, pak weg, 1965, conform het geboortedocument van de naoorlogse verzorgingsstaat, het rapport van de commissie-Van Rhijn uit 1945. Dat was gebaseerd op “strenge criteria, strenge controle en een sterk beroep op de eigen inzet van de burgers”.

Schuyt verkiest bijvoorbeeld het studiebeurzenstelsel van 1960 - wel steun, maar alleen als er geen andere financiële mogelijkheden zijn en bij voldoende capaciteiten - boven de studiefinanciering van 1982, die geld gaf aan iedere student en bovendien later werd gekoppeld aan een collectivisering van het openbaar vervoer voor studenten. Studenten werden “aangemoedigd het onderste uit de overheidskan te halen”.

Er is nu volgens Schuyt sprake van “een voorschrijdende collectivisering van voorzieningen voor de midden- en hogere-inkomensgroepen en een plots noodzakelijk geachte afschaffing van voorzieningen vooor de lagere- en laagste-inkomensgroepen”. Hij wees in dit verband op de afschaffing van “zeer oude” collectieve voorzieningen als de compensatie bij arbeidsongevallen en op het plan om geestelijk en lichamelijk gehandicapten zoveel mogelijk steun te onthouden. Dit terwijl het plan-Simons gezonde en voor zichzelf betalende verzekerden in een collectief stelsel van ziektekostenverzekering wil opnemen.

Wat de arbeidsongeschiktheid betreft wil Schuyt terug naar de tijd voor de WAO, dus voor 1967, toen de Ongevallen- en Invaliditeitswetten risico's buiten het werk niet verzekerden. Alleen het beroepsrisico (risque professionnel) moet worden verzekerd. De WAO koos echter voor het risque social. De helft van de WAO'ers zou dan moeten worden geregistreerd als blijvend werkloos of werkzoekend. Schuyt: “Aldus wordt op scherpe manier zichtbaar dat achter de crisis van de verzorgingsstaat een grotere crisis van de werkgelegenheid en de plaats van de arbeid in de moderne samenleving schuil gaat. Dan blijkt ook dat op dit terrein tot nu toe minder effectief beleid gevoerd is dan nodig was”.

Prof. G. Zalm, directeur van het Centraal Planbureau, kwam zoals gewoonlijk met twee tegengestelde pleidooien. In het eerste pleitte hij voor een vernieuwing van de overlegeconomie ("Europese renaissance'), min of meer op de lijn-Schuyt. Maar Zalm pleitte daarnaast voor een vernieuwing van het kapitalisme ("groei in evenwicht'). Dat scenario staat volstrekt haaks op dat van Schuyt: dwang, toetsing en controle zouden botsen met de trends van individualisering, mondigheid en privacy. De versmalling van de entree naar de sociale zekerheid zou dus een illusie zijn.

Dus moet de entree juist worden verbreed. Geef iedereen een uitkering (basisinkomen), en de uitvoeringsorganisatie kan verdwijnen (alleen de belastingdienst blijft over), vermogenstoetsen (zoals nu in de bijstand) vervallen, en het minimumloon kan worden afgeschaft. Mensen worden niet langer ontmoedigd te gaan werken, zoals nu het geval is bij veel mensen met een uitkering.

Een probleem, erkende Zalm, is de financiering. Pleitte hij vorig jaar nog uitsluitend voor een geleidelijke invoering, waarbij de economische groei ervoor zorgt dat het basisinkomen over pakweg 25 jaar op het peil van de bijstand in 1990 kan zijn, gisteren hield hij een andere optie nadrukkelijk open. Zalm: “Een snellere weg is accepteren dat het basisinkomen lager is dan het huidige niveau van de bijstand voor een alleenstaande”. Waar hij overigens onmiddellijk aan toevoegde dat het noch onverstandig noch nodig was om nu al definitief te kiezen.

    • Kees Calje