Toezicht getroffen door machtsvacuum

AMSTERDAM, 17 JUNI. Moet de macht van de commissaris in de structuurvennootschap worden gebroken? Op het oog is de machtsconcentratie onder commissarissen de hoofdoorzaak van het gebrekkig functioneren van de toezichthouders in de structuurvennootschap, dat steeds vaker wordt gesignaleerd.

Te veel zware commissariaten belanden bij een te kleine groep van personen in Nederland. Zo ontstaat een machtsblok, een olicharchie van zware commissarissen die op zijn minst wordt geplaagd door een gebrek aan onderlinge kritiek. Deze veronderstelde machtsconcentratie werd dinsdag, op het symposium "naar nieuwe verhoudingen in de structuurvennootschap' door VVD-voorman F. Bolkestein ontkend. Commissaris pur sang T. Braakman tekende daar bij aan dat de buitenstaander helemaal niet weet of de bestuurders en commissarissen in Nederland wel zo'n kleine, nauw verbonden clique zijn. In de praktijk, aldus Braakman, valt dat allemaal erg mee. Al wil hij daarop geen toelichting geven, want dat zou buitenstaanders toe laten in de vertrouwenssfeer die de commissaris nu eenmaal omgeeft.

Daarmee maakte Braakman zich wel erg makkelijk van het probleem af, maar de concentratie van commissariaten moet allereerst wel worden gezien als een bijverschijnsel van het cooptatiesysteem. Dat systeem, waarin commissarissen elkaar benoemen, is oorspronkelijk ontworpen om de onafhankelijkheid van de commissarissen te garanderen. Een raad van toezichthouders die individueel een direct belang vertegenwoordigen, zoals dat van aandeelhouders, werknemers, banken of overheid, werd destijds onwenselijk geacht.

Probleem in de praktijk is evenwel, dat wie geen direct belang vertegenwoordigt, ook geen rekenschap aan de houders van dat belang verschuldigd is. Op dit moment controleert niemand de commissaris. Het Nederlandse bedrijfsleven kent sinds de invoering van de structuurwet veel voorbeelden van falend toezicht door de commissarissen _ hoewel een vergelijking met het buitenland nog niet is gemaakt. De raad greep in die gevallen niet of te laat in, vaak door een gebrek aan gedetailleerde informatie om zich een goed oordeel te kunnen vormen, en misschien ook af en toe door een gebrek aan aandacht. Waarom grepen de commissarissen bij DAF niet eerder in, en moest de harde sanering worden afgedwongen door de banken? Braakman zei daarover dinsdag dat de buitenwereld zich de lawine van kritiek niet kan voorstellen die over de commissarissen zou zijn uitgestort wanneer zij op eigen houtje in een vroeg stadium aan de noodrem hadden getrokken. Maar dat kan geen reden zijn om van ingrijpen af te zien.

Een ander gevaar van het niet direct vertegenwoordigen van een belang is, dat de commissaris de neiging kan krijgen om mee te besturen, in plaats van kritisch op afstand te blijven. De controleur wordt adviseur, en wie meebeslist kan slechts met moeite later een beleid afkeuren dat mede op basis van zijn eigen advies vorm kreeg.

Dat laatste heeft weer veel te maken met de versterking van de positie van het dagelijks bestuur van de onderneming. De Noor Torstein Hagen onderstreepte dat bij Nedlloyd de macht van de raad van bestuur veel te groot was. Een raad van commissarissen die zichzelf beschouwt als adviseur, bij voorkeur confreres uit eigen kring benoemt en geen rekenschap aan de buitenwereld aflegt loopt het gevaar te dicht tegen het bestuur aan te leunen. “Een vriendenclub” noemde Hagen het, “en vrienden vraag je niet snel om te vertrekken”. Anders dan de kleine, machtige kring van industriele en financiele zwaargewichten die toeziet op de gang van zaken in het Nederlandse bedrijfsleven een overmatige invloed toe te kennen, kan evenveel worden gezegd over het hoegenaamd ontbreken van controle. Zo onstaat langzamerhand het beeld van een machtvacuum, in plaats van een machtconcentratie. De commissaris heeft wel macht, maar wordt niet uitgedaagd deze te gebruiken.

Over oplossingen voor dat machtsvacuum wordt al langer nagedacht. Sommige recente suggesties gaan in de richting van het toch maar weer benoemen van typische belangencommissarissen door de achterban. Zij moeten zich verantwoorden tegenover hun belangengroep (aandeelhouders of werknemers), en kunnen zich de luiheid die Bolkestein signaleert niet permitteren. Andere suggesties geven de aandeelhouders het recht op benoeming van de totale raad van commissarissen. Commissarissen en ondernemingsraad hebben in dit voorstel dan wel het recht om personen voor te dragen.

Slechts het recht van ontslag van commissarissen toekennen aan de aandeelhouders lijkt een eerste stap in de emancipatie van de aandeelhouder en het opvullen van het machtsvacuum. De voorstanders daarvan, waaronder ook het CDA-kamerlid Vreugdenhil, gaan met die suggestie een netelige kwestie uit de weg. Wanneer commissarissen elkaar blijven benoemen, blijft de terugkeer van de belangencommissaris buiten beeld.

Prof. Slagter signaleerde eergisteren dat de mondige aandeelhouder weer terug is, na in de jaren zeventig en begin jaren tachtig goeddeels te zijn weggeweest. Zijn mede-hoogleraar Ophof stelde dat, hoewel goed rekening moet worden gehouden met andere "stakeholders' in de onderneming, de aandeelhouder het grootste belang heeft bij het optimaliseren van dat toezicht. Bovenop de structuurvennootschap komen ook nog de beschermingsconstructies, die aandeelhouders op andere manieren verhinderen macht in de onderneming uit te oefenen.

Maar hoeveel zeggenschap moeten aandeelhouders hebben tegenover de andere grote belangengroep, de werknemers? Die vraag houdt verband met de kwestie die in de jaren zestig aan de orde kwam: van wie is de onderneming nu eigenlijk? Het niet beantwoorden van die vraag leidde in 1971 uiteindelijk tot het compromis van de onafhankelijke commissaris in de struktuurvennootschap. Daarin viel de onderneming toe aan bestuurders en commissarissen zelf. Het huidige machtvacuum in de structuurvennootschap laat zien dat deze fundamentele kwestie opnieuw beantwoording behoeft.

    • Maarten Schinkel
    • WABE van ENK