Studie: vijfde deel scholieren heeft problemen met gedrag en emoties

LEIDEN, 17 JUNI. Vijftien tot twintig procent van de Nederlandse scholieren kampt met min of meer ernstige emotionele, sociale of gedragsproblemen. Aard en omvang van deze problemen verschillen sterk naar opleidingsniveau en geslacht.

Dat blijkt uit het scholierenonderzoek 1992 over gedrag en gezondheid dat vandaag in Leiden is gepresenteerd. Aan het onderzoek namen in de laatste maanden van 1992 11.000 leerlingen van twaalf tot twintig jaar op 200 scholen voor voortgezet onderwijs deel.

Ruim 80 procent van de scholieren doet het in sociaal en emotioneel opzicht redelijk goed, aldus het onderzoek. Bij de overige scholieren blijkt een duidelijk verband tussen de aanwezigheid van problemen enerzijds en schooltype, geslacht en leeftijd anderzijds. Gevoelens van eenzaamheid, angst, depressiviteit en neiging tot zelfdoding komen onder scholieren van lbo en mavo vaker voor dan onder leerlingen van andere schooltypen. Het percentage zestienjarige jongens en meisjes dat zegt ooit een zelfmoordpoging te hebben ondernomen ligt op het lbo op 14 à 15 procent, op het vwo in dezelfde leeftijdsgroep op 2 à 3 procent. Ook diefstal, vandalisme en agressief gedrag komt vaker voor onder scholieren van lbo en mavo. Dat geldt ook voor lichamelijke klachten en “negatieve gevoelens ten aanzien van school en thuis”.

Voor een aantal problemen signaleert het rapport een verband met het geslacht: lichamelijke klachten en emotionele problemen komen veel vaker voor bij meisjes dan bij jongens, terwijl gedragsproblemen vaker bij jongens voorkomen. Van de jongens zegt 25 procent bij voorbeeld om geld te gokken, tegen zeven procent van de meisjes. Ook spijbelen jongens vaker dan meisjes en zijn zij negatiever over school. In totaal spijbelt 10 procent van de scholieren drie keer per maand of vaker. Meisjes oordelen vaker negatief over hun thuissituatie en spijbelen minder. Zij geven ook aan vaker te piekeren en zich zorgen te maken over allerlei zaken zoals uiterlijk, gezondheid, schoolprestatie en de relatie met hun ouders.

Van de ondervraagde scholieren zegt 30 procent tenminste één maal per maand aangeschoten of dronken te zijn; 12 procent heeft in het jaar voorafgaand aan het onderzoek tenminste éé n maal softdrugs of geestverruimende middelen gebruikt. Elf procent geeft te kennen zich tenminste één maal aan vandalisme te hebben schuldiggemaakt. Nog eens elf procent zegt bij het uitgaan regelmatig een wapen bij zich te dragen. Van de scholieren rookt 30 procent dagelijks, twee derde daarvan noemt zichzelf een stevige roker.

Het onderzoek is uitgevoerd door de vakgroep klinische en gezondheidspsychologie van de Leidse universiteit.