Studeren in stijlen

Sommige studenten moeten iets drie keer opschrijven voor ze het onthouden. Welke "leerstijl' past het best in het hoger onderwijs?

Jan D.H.M. Vermunt: Leerstijlen en sturen van leerprocessen in het hoger onderwijs. Swets & Zeitlinger, Amsterdam/Lisse 1992

"Onderwijs wordt te veel gezien als het overplanten van kennis van het ene hoofd naar het andere'', zegt Jan Vermunt, onderwijspsycholoog aan de Katholieke Universiteit Brabant, in Tilburg. ""Veel docenten zien studenten nog als lege vaten die met kennis gevuld moeten worden. Het onderwijs zou juist veel meer gericht moeten zijn op "leren leren', het aanleren van denkvaardigheden op een bepaald vakgebied.''

Vermunt (36) baseert zich op zijn proefschrift Leerstijlen en sturen van leerprocessen in het hoger onderwijs, een grootschalig onderzoek naar de manieren waarop studenten leren en hoe daarmee in het onderwijs rekening gehouden zou moeten worden. Hij hield vraaggesprekken met 35 eerstejaars studenten over hun leeractiviteiten en koppelde daaraan een vervolgonderzoek onder 1.600 studenten. De Vereniging voor Onderwijsresearch, die hem vorige maand de prijs voor de beste dissertatie op dit gebied toekende, loofde zijn onderzoek als ""ouderwets gedegen en omvangrijk''.

In zijn proefschrift stelt Vermunt een scherpe diagnose. Veel hoogleraren en docenten op universiteiten gaan nog steeds uit van het achterhaalde idee dat onderwijzen neerkomt op het "vullen' van de hoofden van studenten met kennis. Die opvatting is volgens Vermunt niet alleen achterhaald, maar ook inefficiënt. ""Het leidt tot statische kennis. De klacht dat afgestudeerden vaak wel veel wéten, maar er weinig mee kúnnen is daarvan een gevolg. Studenten leren te weinig hoe zij zelfstandig kennis kunnen opbouwen en gebruiken. Terwijl kennis tegenwoordig snel veroudert. Wat een eerstejaars leert is al verouderd als hij afstudeert.''

Kinderschoenen

Naar de vraag hoe studenten leren is nog nauwelijks wetenschappelijk onderzoek gedaan. Terwijl universiteiten regelmatig onderzoek doen naar het leergedrag van kinderen of middelbare scholieren staat de didactiek van het hoger onderwijs nog in de kinderschoenen. Waarom hebben universitaire docenten vanoudsher zo weinig belangstelling gehad voor didactiek? Vermunt: ""Ze moeten zowel onderzoek doen als onderwijs geven. Als die twee taken botsen schiet het onderwijs er vaak bij in. Docenten worden tenslotte beoordeeld op hun onderzoeksprestaties. Bovendien hebben de meeste docenten zelf geen of weinig didactische scholing gehad.''

De laatste tijd is de aandacht voor de didactiek van het hoger onderwijs wel aan het toenemen, signaleert Vermunt, maar hij ziet daarin ook meer ""triviale motieven'' aan het werk. ""De studierendementen moeten omhoog. Als universiteiten niet meer naar de aantallen eerstejaars betaald worden maar naar het aantal geslaagden moeten meer studenten de eindstreep halen. Bovendien eisen de studenten goed onderwijs. Anders komen ze binnen de verkorte studieduur niet klaar. Tot slot vragen ook de visitatiecommissies om meer aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs.'' Eerder dit jaar publiceerde de commissie-Wijnen op verzoek van minister Ritzen een rapport over "studeerbaarheid', met een lange lijst aanbevelingen om het hoger onderwijs aantrekkelijker en efficiënter te maken. Hier en daar wordt het onderwijs nu ook al verbeterd, maar volgens Vermunt nog ""te weinig systematisch en te weinig beleidsmatig. Het is nog te veel een zaak van individuele docenten.''

Om goed onderwijs te kunnen geven moeten docenten allereerst weten hoe studenten leren. Om daar inzicht in te krijgen heeft Vermunt een "leerstijldiagnose-instrument' ontwikkeld, een lijst van 120 vragen over studie-activiteiten, studiemotieven en studieopvattingen. Op basis daarvan wordt een "leerstijlprofiel' samengesteld. Studenten krijgen zo inzicht in de sterke en zwakke kanten van hun eigen leerstijl, docenten en studiebegeleiders kunnen er hun onderwijs en begeleiding op afstemmen.

Vermunt komt tot vier leerstijlen. Studenten met een ongerichte leerstijl hebben veel problemen met het verwerken van de stof, kunnen geen grote hoeveelheden aan en kunnen moeilijk bepalen wat belangrijk is. Studenten met een reproduktiegerichte leerstijl proberen stof uit colleges en studieboeken zoveel mogelijk te onthouden om hun kennis op tentamens te kunnen spuien. Studenten met een betekenisgerichte leerstijl proberen bedoelingen van auteurs te achterhalen, verbanden te leggen, stof op zichzelf te betrekken en een eigen visie te ontwikkelen. Zij komen het dichtst bij het klassieke ideaalbeeld van de academicus. Studenten met een toepassingsgerichte leerstijl tenslotte gebruiken studiestof om actuele verschijnselen te interpreteren of problemen op te lossen.

In zijn dissertatie citeert Vermunt een aantal studenten die representatief zijn voor de diverse leerstijlen. ""Ik moet echt àlles opschrijven'', zegt een student met een "ongerichte leerstijl'. ""Desnoods drie keer. Voor het tentamen ga ik gewoon alles nog een keer opschrijven. Anders weet ik het gewoon niet. Ik kan niet anders leren.'' Een "reproduktiegerichte' student: ""De tweede keer lees ik niet alleen maar dan arceer ik ook. Met zo'n markeerpen geef ik aan welke tekst ik beslist nagenoeg uit mijn hoofd moet weten. Dat is toch tussen de 40 en 50 procent.'' Een ander, met dezelfde stijl: ""Ik moet zorgen dat een massa van die begrippen in mijn hersens terechtkomen. Het is dus echt: herhaal, herhaal, herhaal.'' Twee "betekenisgerichte' studenten: ""Mijn manier van studeren is dat ik altijd probeer verbanden te zien en overzicht over de stof te krijgen.'' En: ""Ik studeer niet zozeer voor een carrière, maar echt alleen omdat ik mezelf wil ontwikkelen.'' Ten slotte de "toepassingsgerichte" student, in dit geval een jurist: ""Als je de krant openslaat en je leest dat een minister in moeilijkheden is, kun je al gaan denken: als er nou een amendement komt op dat wetsontwerp, wat gebeurt er daarmee en daarmee?''

Van deze leerstijlen passen de betekenis- en toepassingsgerichte volgens Vermunt het beste bij een academische studie. Hij schat dat daarentegen ruim de helft van de Nederlandse eerstejaars een ongerichte of reproduktiegerichte leerstijl hanteert. Studenten met een ongerichte leerstijl komen vaak slechts met geluk of erg veel moeite door de propaedeuse heen. Studenten met een reproduktiegerichte leerstijl kunnen het nog een heel eind brengen maar stuiten later in de doctoraalfase op grote problemen.

""Leerstijlen'', onderstreept Vermunt, ""zijn geen persoonlijkheidskenmerken. Ze zijn weliswaar tamelijk stabiel, maar zeker niet onveranderbaar. Studenten moeten - zeker in het eerste jaar - de kans krijgen zich een goede leerstijl eigen te maken.'' Ze hangen wel samen met leeftijd, vooropleiding, geslacht en studierichting. Betekenisgerichte leerstijlen komen vaker voor bij sociaal-culturele studies en oudere studenten; reproduktiegerichte vooral bij studenten met een lage vooropleiding en bij economie, rechten en natuurwetenschappen; toepassingsgerichte vooral bij beleids- en bestuurswetenschappen. Vrouwen laten zich volgens Vermunt meer sturen in hun leerprocessen dan mannen, studeren meer uit persoonlijke interesse, hechten grotere waarde aan samenwerking met studiegenoten en zijn minder gericht op het halen van een diploma. Mannen verwerken de stof daarentegen kritischer en zoeken meer naar toepassingen en voorbeelden.

Meester-gezel-systeem

Hoe kunnen docenten toepassings- en betekenisgerichte leerstijlen bevorderen en ongerichte en reproduktiegerichte leerstijlen afbouwen? Vermunt: ""Docenten laten teveel eindresultaten van denkprocessen zien en te weinig hoe ze daartoe gekomen zijn. Het sterke van het "meester-gezel-systeem' dat vroeger op universiteiten bestond was dat studenten van nabij meemaakten hoe een expert werkte, hoe hij een probleem aanpakte, hypothesen genereerde, dwaalwegen insloeg. Docenten moeten hardop denkend laten zien hoe ze problemen op hun vakgebied aanpakken en studenten de gedemonstreerde strategieën zelf laten toepassen. Het probleem in het hoger onderwijs is dat de docenten de stof wel actief verwerken, maar veel studenten niet. Studenten worden veroordeeld tot de status van toehoorder en toeschouwer.''

Belangrijk is dat docenten niet te ver voor gaan lopen. Dan ontstaat er een kloof met de studenten. '"Docenten moeten uitdagen, niet demarreren'', aldus Vermunt. Ze moeten doorlopend wat hij noemt ""constructieve fricties'' creëren, studenten verlokken tot denkstrategieën die ze uit zichzelf minder geneigd zijn te gebruiken. Dat betekent ook dat ze anders moeten gaan tentamineren. Vermunt: ""Toetsen zijn vaak te reproduktiegericht, vooral in de propaedeuse. Daardoor wordt er geselecteerd op leerstijlen die niet gewenst zijn. Het is alsof studenten zich door te zwemmen moeten kwalificeren voor de honderd meter hardlopen.''

Met deze aanbevelingen sluit Vermunts proefschrift goed aan bij het rapport van de commissie-Wijnen over "studeerbaarheid'. Wijnen pleit voor activerende werkvormen die studenten moeten inspireren en aanzetten tot gerichte zelfstudie. Kennisoverdracht door docenten moet plaats maken voor zelfstandige kennisverwerving door studenten. Colleges waarin hoogleraren de stof voorkauwen, stelde Wijnen eens, geven studenten geen ruimte om de stof te verwerken en houden hen van het werk.

Inmiddels wordt Vermunts "leerstijl-diagnose' hier en daar al gebruikt. De Open Universiteit in Heerlen en Vermunts eigen Katholieke Universiteit Brabant werken ermee, komend jaar gaan ook de universiteiten van Nijmegen en Leiden ermee aan de slag. Dat het middel een "eye-opener' kan zijn blijkt in Nijmegen, waar de Universitaire School voor Beleidswetenschappen werkt met een methode van "probleemgestuurd onderwijs'. Die methode wil studenten aanzetten tot zelfstandige denkactiviteiten en is volgens directeur dr. Herman van den Bosch bij uitstek geschikt om doelstellingen van academisch onderwijs te realiseren. Maar de methode heeft volgens hem ""lang niet bij alle studenten het beoogde effect'". Door het leerstijlenonderzoek van Vermunt heeft hij een vermoeden gekregen waarom. ""Waarschijnlijk hebben we nogal wat studenten met een ongerichte of reproduktiegerichte leerstijl. Die kunnen moeilijk uit de voeten met probleemgestuurd onderwijs. We willen dat beginnende studenten zich bewust worden van hun leerstijl. Indien nodig willen we studenten begeleiden bij het ontwikkelen van de gewenste toepassings- of betekenisgerichte leerstijl.''

Eén ding is ook al duidelijk: het hanteren van een "goede' leerstijl kost meer tijd. Uit het onderzoek van Vermunt blijkt dat studenten met een toepassings- of betekenisgerichte leerstijl goede tentamenresultaten halen, maar niet tot de snelste studenten behoren. ""Nadenken kost nu eenmaal tijd'', aldus Vermunt. Hij is dan ook tegen verdere verkorting van de studieduur. ""Verkorten van de studieduur zou best eens kunnen leiden tot een afname van toepassings- en betekenisgerichte leerstijlen. En dat moeten we nou net niet hebben.''