Somber scenario

Aan het Duitse Wirtschaftswunder lijkt een abrupt einde gekomen. Op economisch herstel in de vroegere DDR is nog geen enkel zicht. En zelfs in westelijk Duitsland is somberheid troef. In vergelijking met vorig jaar daalde de industriële produktie daar met bijna 10 procent. De export liep terug met ruim 14 procent. En de Westduitse werkloosheid steeg met meer dan 25 procent. Duitsland zit midden in een recessie. Dat is vervelend voor Duitsland, maar ook voor de andere landen van de Europese Gemeenschap (EG). Want als de Duitse economie hapert, lijden zij mee. Nederland niet in de laatste plaats. Ruim de helft van de Nederlandse produktie is bestemd voor export. En met een aandeel van 30 procent is Duitsland onze grootste klant. Nederlandse conjunctuurvoorspellers hebben het daarom vrij gemakkelijk. Kijk naar de Duitse cijfers van de afgelopen maanden en je kunt een redelijk betrouwbare prognose maken voor de Nederlandse economie.

Maar over de vraag hoe ernstig de Duitse recessie is en hoe de herstelkansen liggen, verschillen de meningen. Laten we beginnen met de optimistische variant. Recessies zijn tijdelijk. Op tijden van trage groei of krimp volgen altijd weer perioden waarin de conjunctuur aantrekt. Het optimistische herstelscenario voor Duitsland is gebaseerd op twee veronderstellingen. In de eerste plaats gaat het ervan uit dat de Bundesbank in de komende maanden de rente verder verlaagt. Hierdoor wordt het goedkoper om geld te lenen. Consumenten kopen meer nieuwe auto's, producenten gaan weer investeren en zo krijgt de economie een zetje in de goede richting. In de tweede plaats nemen de optimisten aan dat de wereldhandel binnenkort zal opleven. Vooral de verwachte opleving van de Amerikaanse economie moet de Duitse economie nieuw leven inblazen. Een Duits onderzoeksbureau heeft berekend dat elke 1000 dollar extra Amerikaanse import de Duitse export met 120 dollar vergroot. Dit jaar nog, of op z'n laatst begin 1994, zou het herstel inzetten.

Pessimisten wijzen erop dat verdere renteverlagingen door de Bundesbank uiterst onwaarschijnlijk zijn. Daar zijn twee redenen voor. De Duitse inflatie is nog steeds te hoog. Met 4,3 procent prijsstijging per jaar zit Duitsland boven het EG-gemiddelde (3,2 procent). Bovendien begint de traditioneel zo harde Duitse mark tekenen van zwakte te vertonen. Ook hoeft Duitsland niet te rekenen op een spoedig herstel van de wereldeconomie. De Amerikaanse economie trekt dan wel aan, voor 1993 wordt een produktiegroei van 3 procent verwacht, maar de opleving is minder sterk dan werd verwacht. Daar komt nog bij dat de Duitse economie pas na verloop van tijd van die Amerikaanse opleving kan profiteren. Het Duitse exportpakket bestaat voor het grootste deel (57 procent) uit kapitaalgoederen. Amerikaanse ondernemers staan voorlopig nog niet te dringen om nieuwe machines te kopen. Eerst willen ze de bestaande overcapaciteit wegwerken. Volgens de pessimisten duurt het daarom aanmerkelijk langer dan een half jaar voordat de Duitse conjunctuur omslaat.

De echte zwartkijkers beschouwen de recessie niet eens als het echte Duitse probleem. Volgens hen zit Duitsland vooral structureel in de moeilijkheden. De Duitse industrie dreigt de slag op de wereldmarkt te verliezen. Voor een deel is dat zelfs al gebeurd. Voorbeeld nummer een: de staalindustrie. In 1970 beheerste Duitsland nog ruim 10 procent van de wereldhandel in staal. Nu is dat percentage gedaald tot een krappe 6,5 procent. In het Ruhrgebied bood de staalindustrie in het begin van de jaren zeventig nog werk aan 350.000 mensen. Verwacht wordt dat de werkgelegenheid daar eind van het jaar is gedaald tot 100.000. Nummer twee: de automobielindustrie. Ook daar een enorm verlies aan marktaandeel. Duitse auto's hadden in 1970 nog een aandeel van bijna 30 procent in de wereldexport. In 1992 is dat aandeel gehalveerd (14,2 procent). De grootste Europese automobielproducent Volkswagen noteerde in het eerste kwartaal van dit jaar een verlies van ongeveer 1,5 miljard gulden. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Daimler-Benz (onder meer auto's en vliegtuigen), Hoechst, BASF en Bayer (chemische produkten) en Lufthansa zien hun bedrijfsresultaten dramatisch verslechteren. De doemdenkers zien een ware kaalslag van de Duitse industrie in het verschiet. Een ontwikkeling die overigens opvallend lijkt op wat we in Nederland meemaken. Zie bij voorbeeld: Daf, Nedcar, Fokker, DSM, Hoogovens en KLM.

Ook wat betreft de oorzaken voor de industriële malaise zijn er grote overeenkomsten met Nederland. Nergens ter wereld zijn de arbeidskosten (brutoloon plus sociale lasten) per uur zo hoog als in Duitsland. Dat was voor Duitsland nooit een probleem, omdat de produktie per gewerkt uur, de arbeidsproduktiviteit, er ook extreem hoog is. En Duitse produkten mochten best iets duurder zijn dan die van de concurrentie, de kwaliteit was immers ook duidelijk beter. Maar vooral de Aziatische landen hebben in de afgelopen tien jaar hun arbeidsproduktiviteit en de kwaliteit van hun produkten enorm weten te verbeteren. Duidelijke voorbeelden zijn de autoindustrie en de elektronica. De staalindustrie heeft te kampen met een wereldwijde overcapaciteit. De markt wordt overstroomd met zwaar gesubsidieerd staal uit onder meer Italië, Spanje, Tsjechië en Polen. Maar ook de Duitse managers hebben gefaald. Zij hebben niet op tijd ingespeeld op de veranderende economische situatie. Te weinig toekomstvisie, gebrek aan creativiteit.

Die structurele zwakte van de Duitse industrie dateert niet van vandaag of gisteren. Maar nu pas, door de slechte conjunctuur, worden de tekortkomingen van de Duitse industrie blootgelegd. Die structurele problemen verdwijnen niet als de conjunctuur zich herstelt. Een conclusie die geldt voor Duitsland, maar zeker ook voor Nederland.