”Een taal is voor mij pas een taal als hij ook restricties heeft'; Susan Fischer over de nuances van de gebarentaal

Mythe nummer een is dat gebarentalen van doven over de hele wereld gelijk zijn. Geen sprake van, ze zijn overal weer anders. Volgens de Amerikaanse gebarentaalonderzoekster Susan Fischer heeft dat idee alles te maken met mythe nummer twee. Die luidt dat gebarentalen een soort mime zijn, dat doven de dingen gewoon uitbeelden door ze in de lucht te ”tekenen'. Ook niet waar, maar het derde wijdverbreide misverstand, dat je in gebarentaal alleen over concrete dingen kunt praten, volgt er direct uit.

Fischer is niet het type dat zich kwaad zal maken over bestaande misvattingen. Helder en gedreven zet ze gewoon voor de zoveelste keer uiteen hoe het zit. Gebarentaal is voor haar ”een venster op taal'. Eerder deze maand was ze in Nederland ter gelegenheid van een congres over gebarentaal dat de universiteiten van Amsterdam en Leiden organiseerden. In Utrecht hield ze nog een extra lezing: over het belang van gebarentaalonderzoek voor de taalkunde, een onderwerp dat goed aansluit bij haar achtergrond.

”Ik ben begonnen als een gewone theoretisch taalkundige, en toen kon ik een baan krijgen in Rochester, bij het National Technical Institute for the Deaf”, vertelt Fischer. ”Inmiddels doe ik daar bijna twintig jaar onderzoek.'

Susan Fischer kan gerust een trendsetter genoemd worden. Begin jaren zeventig waren er nauwelijks taalkundigen met belangstelling voor gebarentaal, er was ook maar heel weinig literatuur. ”Het eerste echte werk is gedaan door William Stokoe op Gallaudet, de universiteit voor doven in Washington, rond 1960', legt ze uit. ”Stokoe was nota bene docent Engels daar, gespecialiseerd in het werk van Chaucer. Maar hij was de eerste die zag dat gebaren niet een soort ””holistische'' dingen zijn, maar dat ze worden opgebouwd uit een klein aantal elementen, altijd dezelfde. Je hebt de handvorm, de richting waarin je die hand houdt, de beweging die je maakt en de gezichtsuitdrukking. Samen met de plaats waar het gebaar gemaakt wordt bepalen die dingen de betekenis. De plaats is altijd ergens in de gebarenruimte: de ruimte voor je, naast je, boven je, overal waar je met je handen kunt komen.

”Verander je een van die elementen - dus je geeft je hand bijvoorbeeld een andere vorm, of je maakt de beweging bij je hoofd in plaats van je buik - dan verandert de betekenis van het gebaar, of je krijgt een gebaar dat toevallig niet bestaat en dus niks betekent. Je kunt je trouwens ook ”vergebaren', bijvoorbeeld door twee handvormen te verwisselen. Net als ”slaatje bla' voor ”blaadje sla' wordt dat grappig gevonden. Dat zijn universele dingen voor taal.'

Dieper inzicht

Stokoe beschreef die bouwstenen natuurlijk aan de hand van Amerikaanse Gebarentaal, maar het bleek om een veel dieper inzicht te gaan. Tientallen gebarentalen, van Japanse tot Israëlische, van Australische tot Chinese zijn inmiddels bestudeerd. De ”moedertaalgebaarders' van al die talen begrijpen elkaar onderling niet, maar Stokoe's bouwstenen blijken wel het fundament van allemaal te vormen. Wat je met die bouwstenen kunt doen lijkt in alle opzichten op wat er in gesproken talen gebeurt. ”Voor ieder verschijnsel dat we in een gebarentaal gevonden hebben is er een equivalent in een gesproken taal', zegt Fischer.

Dat geldt al op een heel simpel niveau: je kunt bijvoorbeeld niet voorspellen welk gebaar voor welk begrip gebruikt zal worden, netzomin als dat met woorden gaat. Dat wij een boek ”boek' noemen heeft niets met het ding zelf te maken. Waarom nu net die paar klanken voor iets waar de Fransen met evenveel overtuiging ”livre' tegen zeggen, en de Turken ”kitab'? Wel passen woorden en gebaren natuurlijk binnen het taalsysteem waar ze in thuishoren (”kboe' kan geen Nederlands zijn, niet alle gebarentalen gebruiken elke mogelijke handvorm). Er is alleen één groot verschil tussen gesproken en gebarentalen, en dat heeft te maken met de gebruikte kanalen: horen/spreken tegenover zien/gebaren. Elke gesproken taal kent klanknabootsende woorden (loeien, rinkelen) en elke gebarentaal heeft vormnabootsende (iconische) gebaren, maar in de wereld hebben veel meer zaken een vorm dan een klank. Vandaar dat je veel meer iconische gebaren tegenkomt dan klanknabootsende woorden. Dat heeft weer in hoge mate bijgedragen tot het misverstand dat gebarentalen ”iconisch' zijn en ”concreet'.

Fischer liet bij haar lezing zien dat het ook met vormnabootsende gebaren niet zo simpel ligt als je zou denken. Niemand in de zaal kon raden welk iconisch gebaar ze maakte. Het ging om om het gebaar ”boom' uit de Amerikaanse Gebarentaal, dat toevallig als leengebaar ook in de Nederlandse Gebarentaal terechtgekomen is. Het gebaar dat vroeger in Nederland gebruikt werd was ook vormnabootsend, maar zag er heel anders uit (zie de tekeningen op deze pagina). Het gebaar uit Amerika beeldt als het ware de hele boom met takken (de gespreide hand) uit, terwijl het Nederlandse alleen de stam gebruikt. In Japanse Gebarentaal gaat het weer anders, liet Fischer zien: daar worden de contouren van een boom in de lucht ”uitgetekend'. Fischer: ”Maar bij heel veel gebaren is er geen enkele verband met hoe iets er uit ziet. En bij abstracte begrippen, neem iets als politiek, kan dat ook helemaal niet.'

Over alles praten

Je kunt in gebarentaal over alles praten, voor Fischer een van de criteria om iets een taal te noemen. ”Misschien moet je eens een woord lenen, nou dat doe je dan', zegt ze. ”Wat ik ook belangrijk vind is dat je nuances kunt aanbrengen, dat er meer manieren zijn om iets te zeggen. En misschien wel het allerbelangrijkste is dat er ook dingen zijn, combinaties, die je niet kunt maken, dat er met andere woorden een grammatica is. Ook die hebben alle gebarentalen. Daar ligt overigens mijn grootste kritiek op al het onderzoek met chimpansees. Gebarentaal gaf natuurlijk een prachtige mogelijkheid om te toetsen hoeveel ”taal' apen kunnen leren. Hun strottehoofd is nu eenmaal niet op spraak gemaakt, maar hun handen kunnen wel gebaren maken. Wat ze denk ik wel hebben is benamingen voor dingen, en dat is niet iets om lichtvaardig over te doen, maar er is geen enkele aanwijzing dat ze gevoel ontwikkelen voor goede en verkeerde combinaties van gebaren. Een taal is voor mij pas een taal als hij ook restricties heeft.'

”En behalve dat ze geen grammatica hebben, kennen chimpansees ook niet zoiets als wat wij ”predikatie' noemen: dat je iets hebt en daar zeg je dan iets over. Ze kunnen wel duidelijk maken dat ze iets willen (eten bijvoorbeeld), maar ze zijn niet in staat je te vertellen dat het vandaag een mooie dag is. Nog een punt is dat ze bijna nooit spontaan iets zeggen, én dat ze het niet vanzelf leren. Met heel veel moeite en veel instructie zijn de hele slimme soms in staat een paar honderd gebaren te leren, terwijl elk kind dat geen al te grote hersenafwijkingen heeft moeiteloos, zonder enig speciaal onderwijs, duizenden woorden of gebaren leert.'

Gebarentaal werpt niet alleen een nieuw licht op het taalvermogen van chimpansees, maar ook op dat van kinderen. Fischer: ”Dove kinderen komen natuurlijk in principe met hetzelfde instrumentarium ter wereld als ieder ander. Anders dan apen, voor wie het verschrikkelijk moeilijk moet zijn iets van taal te leren, zijn ze gemaakt op taal leren. Zodra je meer dan een paar doven bij elkaar hebt, dat kan zelfs binnen een gezin zijn, dan ontwikkelt zich een gebaarsysteem. Heel bekend is het geval van een stel dove kinderen waartegen niemand ooit een gebaar maakte, omdat de familie gehoord had dat dat slecht zou zijn voor hun taalontwikkeling: dan zouden ze nooit leren praten. Gevolg was dat die kinderen verstoken bleven van elk taalaanbod. Het idee is altijd dat je een taal, maakt niet uit welke, nodig hebt om je aangeboren taalvermogen ”aan te slingeren', maar die kinderen gingen vanzelf onderling gebaren, en in hun gebaren zat ook structuur en het waren er heel veel. Zo sterk is dat taaltalent, en de behoefte om te communiceren.

”Mensen vragen mij heel vaak: wie heeft gebarentaal uitgevonden? Daar kan ik dus alleen op antwoorden dat in élke dovengemeenschap zich een taal ontwikkelt. En ze zijn onuitroeibaar. Vanalles is er geprobeerd, ook gruwelijke dingen: kinderen op hun handen laten zitten, ze lege melkpakken om hun handen schuiven, het helpt allemaal niet. Door de geschiedenis heen zie je ook altijd weer pogingen om die natuurlijk ontstane systemen om te vormen tot iets dat meer lijkt op gesproken talen, en dat slaat nooit aan. Eind achttiende eeuw begon Abbé de l'Epée daar mee in Frankrijk. Hij stichtte de eerste dovenschool ter wereld, en gebruikte gebaren uit Franse Gebarentaal om de doven als het ware Frans te laten gebaren: met de Franse woordvolgorde en voor elk woordje een gebaar.'

”Nog steeds wordt er soms geprobeerd wat de l'Epée deed. Je hebt bijvoorbeeld de methode ”Gebaar exact Engels'. Dat zo'n methode geen succes heeft, komt doordat gebarentalen een organisch systeem zijn. Daar kun je niet maar lukraak dingen in introduceren. Vaak heeft het invoeren van alerlei gebaren namelijk tot gevolg dat het veel langer duurt om iets te zeggen. Vergelijk de maat van je handen en armen maar eens met die van je keel en tong: met die eerste een beweging uitvoeren duurt gewoon veel langer. In gebarentalen gebeurt er dus altijd heel veel gelijktijdig. Je handen, je lichaam, je gezicht, je hoofd, die kunnen allemaal iets anders doen op hetzelfde moment. En ons visuele systeem is heel goed in het tegelijkertijd waarnemen van verschillende patronen.'

Over die gelijktijdigheid of simultaniteit in gebarentalen tegenover de ”lineariteit' van gesproken talen is veel discussie geweest in de afgelopen decennia. ”Ik ben daar toch anders tegenaan gaan kijken', zegt Fischer. ”In gesproken talen zit meer gelijtijdigheid dan het op het eerste gezicht lijkt: neem maar zoiets als intonatie waardoor een mededeling kan veranderen in een vraag. Andersom zit er in gebarentalen natuurlijk ook veel lineariteit: je moet de dingen in de goede volgorde gebaren, en je kunt een gebaar ook niet zomaar omkeren.'

Fischer zegt dat haar werk haar blik op taal veranderd en vooral verruimd heeft. ”Ik dacht vroeger natuurlijk ook dat taal gesproken werd', lacht ze. ”Maar dat is niet het enige. Toen ik twintig jaar geleden begon was ik echt helemaal ondersteboven van de verschillen tussen gebarentalen en Engels, want daar vergeleek ik het meestal mee. Wel bleek trouwens dat de taalontwikkeling in dezelfde stappen gaat. Dove kinderen die Amerikaanse Gebarentaal leerden gingen door dezelfde fasen met bijvoorbeeld vragen stellen en ontkenningen als kinderen die Engels leerden. Maar ik kwam ook heel veel dingen tegen die ik wilde verklaren, maar vanuit het Engels niet kon verklaren. Ik ben me dus met veel meer talen bezig gaan houden en heb zo mijn horizon verbreed. En het werkt twee kanten uit: gebarentaal kan je ook helpen verschijnselen in gesproken talen te begrijpen.

”Een mooi voorbeeld is het Japans. Daar kun je in een gesprek zinnen hebben waarin helemaal geen persoonlijk voornaamwoord of naam voorkomt, en ook aan het werkwoord kan je niet zien om wie het gaat. In die gevallen slaat wat er gezegd wordt altijd terug op het gespreksonderwerp dat een tijdje eerder gentroduceerd is. In gebarentalen zie je net zoiets: daar geeft iemand aan het begin van een verhaal dingen waarover hij het gaat hebben een plaats in de gebarenruimte voor hem, daarna hoeft hij ze dan niet meer telkens te noemen. Dat zijn dingen die over de zinsgrens heen spelen, en dat is nog een tamelijk onontgonnen terrein in de taalkunde.”

Lichaamstaal

Fischers jongste fascinatie ligt op een ander vlak: de relatie tussen lichaamstaal, gebarentaal en gebaren die sprekers gebruiken. ”Ik heb net een boek gelezen van iemand die zegt dat het een continuüm is: van echte gebarentaal naar heel algemene en vage gesticulaties. Ergens halverwege zitten dan gebaren met een specifieke betekenis die je naast alle talen tegenkomt: wij hebben de uitgestoken middelvinger bijvoorbeeld. Maar nu is mijn idee dat allerlei dingen die in een gewoon gesprek een soort bijverschijnsel zijn, in gebarentalen een puur taalkundige betekenis krijgen. Een vragend gezicht trekken bijvoorbeeld maakt in gebarentaal van een mededeling een vraag. Goede verhalenvertellers, iemand als Bill Cosby ofzo, zie je soms bij een verhaal met meer personages zijn lichaam meedraaien. In gebarentaal zeg je niet voortdurend ”hij zei', ”zij zei', in plaats daarvan draai je je lichaam een beetje, en geef je zo aan wie er iets zei of deed. Ik geloof eerlijk gezegd niet dat taal ontstaan is uit gebaren, maar misschien dat doven, die nu eenmaal in een horende wereld leven, zulke dingen opgepikt hebben door goed te kijken. Vaak was dat toch het enige waar ze op af konden gaan.'

    • Liesbeth Koenen