Parijs: "Nederland één grote coffeeshop'

Nederland is bereid tot intensievere samenwerking met Frankrijk om de grensoverschrijdende gevolgen van het tolerante Nederlandse drugsbeleid te beperken. Dit zei minister-president Lubbers maandag tijdens een werkbezoek aan de Franse premier Edouard Balladur. Dat was goed nieuws voor Frankrijk en voor Nederland.

Voor Frankrijk was het goed nieuws omdat de Fransen - en dat geldt voor de regering alsook voor de publieke opinie - Nederland beschouwen als een soort Europese coffeeshop van waaruit Franse hasj- en hard druggebruikers in Frankrijk vrijelijk worden bevoorraad. Vooral in de noordelijke centra Lille en Valenciennes wordt herhaaldelijk geklaagd over het drugsverkeer met Nederland.

Goed nieuws ook voor Nederland: de grensoverschrijdende problemen moeten serieus genomen worden. En dat deed Lubbers met zijn toezegging dat de regering de samenwerking tussen de Nederlandse en Franse politie wil bevorderen onder het motto dat drugscriminaliteit een "Europees probleem is dat Europees moet worden aangepakt'.

Weliswaar is het repressieve drugsbeleid in landen als Frankrijk in Nederlandse ogen ouderwets en achterhaald, maar het is aan Frankrijk om daarover te beslissen, niet aan enig ander land. Dus ook niet aan Nederland, ondanks de fraaie statistieken over het relatief geringe aantal drugsverslaafden en aids-patiënten waarover Lubbers zijn gastheer Balladur onderhield.

Balladur bleek "verbaasd' over de resultaten van de Nederlandse aanpak, aldus Lubbers. Maar de Franse premier "could not care less' en zijn militante minister van binnenlandse zaken Charles Pasqua nog minder. Van Pasqua is de uitspraak dat het Nederlandse beleid niet in Frankrijk kan worden toegepast "omdat Fransen nu eenmaal anders zijn dan Nederlanders'. Het is een misverstand om te denken dat dit gegeven met statistieken kan worden veranderd.

Werkbezoeken van buitenlandse regeringsleiders leveren in Parijs gewoonlijk weinig publiciteit op. Tenslotte komen er in Parijs wekelijks gemiddeld twee of drie premiers langs. Zo ging ook Lubbers' bezoek, waarover Nederlandse media uitvoerig rapporteerden, ongemerkt voorbij: de Franse pers wijdde er geen woord aan, radio en tv geen enkel geluid of beeld. De verklaring is eenvoudig: op de persconferentie waarop Lubbers verslag deed van zijn gesprek met Balladur was geen enkele Franse journalist aanwezig.

De Nederlandse minister-president zette het Nederlandse drugsbeleid ook uiteen voor een gehoor van het Institut Français des Relations Internationales (IFRI), waaronder zich echter geen vertegenwoordiger van de media bevond die het nodig oordeelde om melding te maken van de Nederlandse visies over drugs, GATT en nog zo een en ander. Als dit optreden voor de IFRI was ingelast om de Franse publieke opinie te benvloeden, dan is er sprake van een grandioze mislukking.

Het Franse perspectief op het Nederlandse drugsbeleid en de gevolgen daarvan voor Frankrijk is dus door Lubbers' bezoek, hoe nuttig op zichzelf ook, niet veranderd. Wellicht blijft premier Balladur nog een tijdje "verbaasd', maar voor de publieke opinie, parlementariërs die eens in de bus willen blazen en politie en justitie in Lille is er niets veranderd: Nederland blijft de grote coffeeshop die het al geruime tijd is.

In zijn toespraak voor het IFRI stelde Lubbers dat het goed zou zijn als de Franse media meer aandacht zouden besteden aan het Nederlandse beleid, dat immers - voorzover het om bestrijding van de drugshandel gaat - niet afwijkt van dat van Frankrijk. Dat blijft een vrome wens zolang de regering niet de daad bij het woord voegt en er dus voor de Franse media iets vermeldenswaard is.

Stationering van Nederlandse politiemannen in Lille, om de misdaad (drugshandel) beter te kunnen bestrijden, zou zo'n daad kunnen zijn. Er zijn andere maatregelen denkbaar om daadwerkelijk ernst te maken met de bestrijding van de "fall out' van coffeeshops in Rotterdam, Amsterdam en elders, in Frankrijk en in andere buurlanden. Een betrekkelijk klein gebaar - dat goed nieuws in de Franse media zou opleveren - zou het imago van Nederland in Frankrijk aanzienlijk kunnen verbeteren.

    • Jan Gerritsen