Lever van karper is uitstekende indicator van watervervuiling

Het enzym cytochroom P 450 1A in de lever van de karper is een snellere en goedkopere indicator voor vervuiling met dioxine-achtige stoffen dan chemische analyse. Dat concludeert drs. Martine van der Weiden in haar proefschrift waarop zij 10 juni promoveert aan de Universiteit van Utrecht. Zij ontwikkelde een biologische test om het enzymgehalte in visselever te bepalen. Rijkswaterstaat financierde het onderzoek.

Tot nu toe wordt vervuiling van de waterbodem vooral chemisch geanalyseerd. Groot nadeel hiervan is dat het effect van de bodemvervuiling op een levend organisme nagenoeg onbekend blijft. De biologische test van mevrouw Van der Weiden voorziet in die lacune. Een karper voedt zich namelijk met bodembeestjes en staat dus direct in contact met vervuilende stoffen in het sediment. De samenstelling van en effecten op de visselever zijn dus een goede maatstaf voor het effect van vervuiling op een levend organisme. Het enzym cytochroom P 450 1A zorgt voor afbraak van lichaamsvreemde stoffen. Door deze eigenschap stijgt de hoeveelheid van dit enzym in aanwezigheid van de vervuilende stoffen.

Bij de ontwikkelde methode wordt het eiwitgehalte van het bewuste enzym gemeten. Ook kan de omzetting van een specifiek substraat door dit enzym worden bepaald. De bepaling van het eiwitgehalte gebeurt met behulp van antilichamen die zich binden aan dat enzym en gekleurd kunnen worden. De kleurintensiteit is een maat voor de hoeveelheid enzym. Deze methode is veel efficiënter dan chemische analyse, omdat het enzym is te beschouwen als een somparameter van alle dioxineachtige stoffen samen.

Van der Weiden heeft ook gekeken welke vervuilende stoffen het meest enzymverhogend werken. Zij vergeleek dioxine-achtige stoffen met niet-gechloreerde aromatische koolwaterstoffen. De vissen werden hiermee rechtstreeks genjecteerd. Hieruit blijkt dat de slecht afbreekbare gechloreerde stoffen als dioxines, dibenzofuranen en polychloorbifenylen (pcb's) een verhoging met circa een factor 100 geven van het enzym in de visselever. Niet-gechloreerde aromatische verbindingen geven pas een vergelijkbare enzymverhoging bij een ongeveer 10.000 maal zo hoge dosis. Opvallend is verder dat dioxineachtige verbindingen veel langer aanwezig bleven in de visselever. Echter bij niet-gechloreerde stoffen is er geen relatie tussen de hoeveelheid koolwaterstoffen in de lever en de geconstateerde verhoging van het enzym. Van der Weiden wijt dat aan het feit dat deze stoffen veel sneller kunnen worden afgebroken door de vis.