Kleine Duitse Uni's steken grote de loef af

"Uni-Misere' is een recent Duits neologisme. Voor de goede orde: het slaat niet op de verwikkelingen rondom de Duitse eenheid, maar op de problemen van het Duitse hoger onderwijs. De universiteiten (Uni's) kraken aan alle kanten onder de massale toeloop van studenten - in totaal dit jaar ruim 1,8 miljoen - en de eisen die zij stellen aan huisvesting, studiebegeleiding en, vooral, de inhoud van het onderwijs. Hoogleraren en universiteitsbestuurders klagen steen en been over de massificatie van het onderwijs en bestoken de deelstaten en de bondsregering in Bonn met verzoeken om meer subsidie. Volgens de voorzitter van het universitaire rectorenoverleg, Hans-Uwe Erichsen, is jaarlijks negen miljard Mark nodig om de universiteiten voor totale ontsporing te behoeden. Het weekblad Der Spiegel - dat in november al een alarmerend artikel presenteerde over de toestand aan de universiteiten onder de kop "Stormloop op de universiteiten, waarheen met de studenten?' - vroeg zich onlangs in een tweede lijvige verhandeling af of de ondergang van het Duitse hoger onderwijs in zicht was gekomen. ""Zijn studenten en professoren alom gedemoraliseerd? Waar heeft studeren tegenwoordig eigenlijk nog zin?'', aldus het artikel. Om daar antwoord op te krijgen had het weekblad een grootschalig eigen onderzoek gehouden onder studenten en docenten, vergelijkbaar met een eerdere enquête van het weekblad over het hoger onderwijs uit 1989. Ruim 10.000 studenten aan 57 Westduitse universiteiten werden ondervraagd over hun ervaringen in de collegebanken. Op grond daarvan werd een ranglijst aangelegd van de, onderwijskundig gezien, beste universiteiten.

De uitkomsten van het onderzoek waren verrassend en staan zelfs, volgens de redactie van het weekblad, haaks op tal van clichés over de noodsituatie van het moderne massa-onderwijs. Lang niet overal is de toestand zo catastrofaal als universitaire lobbyisten op zoek naar meer subsidie voorwenden. Waar er wel ernstige problemen zijn, blijken die niet in de eerste plaats veroorzaakt door een gebrek aan geld, maar door een verkeerde inzet van docenten en achterhaalde opvattingen over de vorm van het onderwijs. Redelijk tevreden toonden zich vooral de studenten van kleine, betrekkelijk jonge of provincie-universiteiten, waar veel persoonlijk contact is tussen studenten en docenten en het accent ligt op zelfwerkzaamheid van studenten, alleen of in groepjes, met intensieve begeleiding door een vaste docent. Als nummer één in de ranglijst kwam de kleine, weinig prestigieuze universiteit in Düsseldorf uit de bus. De docenten hebben er een zware onderwijstaak, van studenten wordt een grote inzet geëist - die ze echter zonder morren leveren, omdat ze er niet anoniem zijn of het idee hebben dat niemand zich om hun lot bekommert. Ronduit wanhopig zijn daarentegen de studenten van de grote, gevestigde universiteiten als die in Münster, Hamburg, München en Bonn - hekkesluiter in de ranglijst. Geen van de "Traditions-Uni's' haalde een notering bij de eerste tien. De studenten klagen er over slechte begeleiding, ongenspireerde colleges en ""gedemotiveerde, hulpeloze en luie” docenten die hun studenten het liefst geheel uit de weg gaan. ""Uitgerekend de luid klagende geleerdenstand draagt voor een belangrijk deel schuld aan de Uni-Misere”, noteert Der Spiegel. Instemmend haalt het weekblad een Amerikaanse gastdocent aan die de Duitse universiteiten “koud, onpersoonlijk en cynisch” noemt. Meer dan 30 procent van de studenten haakt inmiddels voortijdig af.

Het oordeel van de 1.200 ondervraagde docenten is net omgekeerd: zij schatten de "onderwijs-universiteiten' het laagst in en geven juist de universiteiten die bij de studenten laag scoren - Bonn, Göttingen, Heidelberg - de meeste punten. De tegenstelling kenmerkt, volgens de Berlijnse politicoloog Peter Grottian, het probleem van het Duitse hoger onderwijs: het aanzien van docenten hangt af van hun onderzoeksprestaties, vandaar hun ""georganiseerde onverantwoordelijkheid'' voor het onderwijs.

Plannen om noodgedwongen hervormingen door te voeren zijn er volop, maar totnutoe is het de 16 onderwijsministers van de deelstaten niet gelukt op één lijn te komen. In Beieren gaan stemmen op om de studieduur te beperken tot tien semesters. In Berlijn roept CDU-senator Manfred Erhardt om scherpe toetsing van studie- en onderzoeksrendement - en dat is tegen het zere been van de traditioneel autonome Duitse universiteiten. Het verst gaat waarschijnlijk Anke Brunn, minister van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, die voorstander is van het "Nederlandse Model'. Een tweedeling in een eerste fase voor alle studenten, een tweede voor onderzoekers-in-spe, gekoppeld aan een vijfjarig systeem van studiefinanciering en een regelmatige, openbare kwaliteitscontrole door onafhankelijke visitatiecommissies. ""De Nederlanders zijn ons jaren vooruit'', aldus Brunn in Der Spiegel. Een dergelijke hervorming is echter een zaak van de bondsregering, en of die zover komt is zeer de vraag. Of het tweefasen-systeem veel zal oplossen lijkt bovendien onzeker, gelet op het huidige ongenoegen in het Nederlandse hoger onderwijs - waar over vrijwel dezelfde zaken wordt geklaagd als in Duitsland. Uiteindelijk, jaren vooruit of niet, gaat het ook hier om een nog niet gemaakte keuze: die tussen egalitaire massa-universiteiten en een fijnmaziger, divers systeem van hoger onderwijs. (Der Spiegel, 19 april)