Indrukwekkend optreden van Claus op Poetry-avond

ROTTERDAM, 17 JUNI. 'God zij gezegend dat Vlaanderen tot het Nederlands taalgebied behoort.' Met deze hartekreet besloot presentator Marcel Möring gisteren zijn aankondiging van de Vlaamse dichter Hugo Claus. En hij had gelijk. Wat zou de Nederlandse dichtkunst zijn zonder Claus. Ik houd niet van alles wat Claus schrijft, soms trekken zijn gedichten als te mooie, te gladde jongens aan mij voorbij, maar wat hij gisteren, aan het eind van de derde Poetry-avond presteerde, grensde aan het volmaakte.

Claus begon zijn optreden met het programmatische "Dichter', uit de onlangs verschenen bundel De sporen. Dit aan Erlkönig herinnerende gedicht vertelt hoe een vader en zijn kind in de herfst een stoet oude dichters zien opdoemen. Claus droeg het met zijn bronzen stemgeluid prachtig voor. De twee horen eerst een "zwaar geratel' dat nadert, "luizen van geluid'. Maar dan vraagt het kind aan zijn vader: maar jij, jij was zelf toch ook dichter? "Zocht jij ook niet in elk motet een epitaaf? / Wrong jij niet een embleem uit elk letsel? Vond jij je geblutste ik niet in elk bord zwezerik?'

Het antwoord van de vader op deze fraaie karakteristiek is veelzeggend: 'Jawel, Nog overeind droom ik van het letterlijke. / Zeker. Tot het einde toe die muizenissen, rozen, / Paradijzen, radijzen, voze gelijkenissen, Met / Tot op dit papier deze lijken van letters.'

Het mooie aan de gedichten die Claus gisteren las is dat ze meteen, op het eerste gehoor toegankelijk zijn, ze klinken goed, ze echoën, ze rijmen op alle mogelijke manieren en resoneren nog lange tijd na, maar ze zijn niet, zoals sommig ander werk van hem, loos. Ze komen recht uit het hart van de maker, ze evoceren en bieden toch nog stof genoeg om later te overdenken.

Voor het overige was het gisteren een zeer kalme avond. Er traden slechts vijf dichters op. Het begon met de Hongaar Karoly Bari, op dit moment een van de best verkochte dichters van zijn land. Zijn populariteit in Hongarije wordt vooral veroorzaakt doordat hij van zigeunerafkomst is. Bari wordt beschouwd als een van de weinigen die de verbeelding van de Hongaarse zigeuners stem geven. Gisteren las hij weemoedige gedichten vol manen en sterren en andere nachtelijke magie.

Daarna kwamen de Engelsman Jeremy Reed, de Nederlander Tonnus Oosterhoff en de Duitser Joachim Sartorius. Van hen beviel het werk van Sartorius mij het best. Deze ex-diplomaat geniet vooral bekendheid als de directeur van het befaamde Berlijnse uitwisselingsprogramma van de DAAD en als commentator op het gebied van cultuurpolitiek. Gisteren liet hij echter horen ook een knap dichter te zijn. Sartorius is goed thuis in de klassieken en in moderne schijvers als Kavafis en Lowry en schrikt er niet voor terug in zijn eigen werk veelvuldig naar hen te verwijzen. Het is poëzie die naar meer smaakt.

De Engelse dichter Jeremy Reed is wat je met enige goede wil een performer zou noemen - en met enige kwade wil een aansteller. Hij las zijn gedichten gisteren gehuld in een opvallend rood soldatenjasje. Reed houdt zo te zien van kokette maniertjes en kittige gebaartjes, maar deze ontnemen een beetje het zicht op wat hij nu echt te zeggen heeft. Het gedicht "Waar de doden heengaan' las hij bijvoorbeeld met zijn tekst schuin boven zich, als was het een toorts. De indruk die me van zijn verschijning is bijgebleven is die van veel decadentie, veel kleuren en geuren, en veel weemoed over wat voorgoed voorbij is.

    • Reinjan Mulder